In 1902 kropen Italiaanse archeologen
aan de noordelijke kant van
Pompeï een opmerkelijk gebouw
binnen. Boven de puinlaag, bij
een opening in de muur, zagen zij een
riviergod op een vat en drie, watergietende
nimfen geschilderd. Toen het
puin was weggeruimd bleek in de basis
van het gebouw een groot bekken aanwezig,
met drie afvoerkanalen. De
muurschildering, het bassin en de afvoeren
gaven aan dat dit een castellum
aquae was, een hoofdverdeelstation
voor water.

De Duitse ingenieur Kretzschmer kwam een halve eeuw later,
in de jaren vijftig, met een oplossing.
In zijn reconstructie hield hij rekening
met zowel de wisselende beschikbaarheid
van water over de seizoenen
als met Vitruvius' prioriteitenschema.
Kretzschmer stelde dat in het bassin
tegenover het aanvoerkanaal aan de
uitstroomkant, twee scheidingsmuurtjes
waren gebouwd voor de verdeling.

Ohlig, van origine filoloog en leraar
Latijn, organiseerde vanaf 1980 voor
zijn leerlingen studiereizen naar de omgeving
van de Vesuvius. Tijdens zo'n
gelegenheid raakte hij in het Pompeiaanse
castellum aquae verzeild. Ohlig
zag niets dat naar Vitruvius verwees, of
dat Kretzschmers oplossing schraagde.
Hij besloot De architectura er op na te
pluizen. Ohlig: "In werkelijkheid was
Vitruvius een onbeduidende architect
die er niet in slaagde opdrachtgevers te
vinden. Hij besloot toen maar de architectuur
van zijn tijd te gaan beschrijven.
Tijdens de Renaissance wilde men
weer gaan bouwen zoals de klassieken
en wat was de enige bron? Vitruvius.
Van beschrijver werd hij op dat moment
tot voorschrijver. Dus toen men
in 1902 dat castellum aquae vond met
die drie afvoerkanalen viel het muntje.
Kretzschmer bedacht het verdeelmechanisme
en daarmee leek de kous af."
Maar Kretzschmers oplossing klopt niet met de beschrijving van Vitruvius, meent Ohlig. "Want wat zegt Vitruvius? Dat het water uit het grote opvangbekken moet doorstromen naar drie subbassins. Bovendien dat er doorvoeren moeten komen van de buitenste twee subbassins naar die in het midden. Waarom? De buitenste dienden water door te geven naar de thermen en de privé-huizen, die in het midden naar de openbare bronnen. Thermen en privéhuizen namen niet constant water af. De baden werden 's nachts gereinigd en opnieuw gevuld, niet overdag, terwijl in de huizen vooral overdag water werd gebruikt. Bij afsluiting of vermindering van afname zou de terugstuw van water dan in het castellum geen overstroming moeten veroorzaken. De doorvoeren van links en rechts naar het middenste subbassin waren bedoeld om dat te voorkomen. En het overschot kwam dan aan de openbare bronnen ten goede."
Vitruvius huldigde met deze constructie iets van het oude uitgangspunt dat water, zijnde een eerste levensbehoefte, voor iedereen gelijk beschikbaar moest zijn. Maar in zijn tijd was dat allang niet meer zo. Aansluiting van een privé-huis op het waterleidingnet kon als privilege worden ingezet.
Ohlig: "Vitruvius had een vernuftig
systeem bedacht. Maar het is onwaarschijnlijk
dat dit ooit werd uitgevoerd.
Drie gescheiden waterleidingnetten
zouden veel te kostbaar zijn geweest."
Voor Ohlig lag daarmee de vraag
naar Pompeï's waterdistrubutie weer
helemaal open. Met tussenpozen reisde
hij naar Italië om onderzoek te doen.
Ohlig maakte het castellum aquae met
stofzuiger en bezem schoon en deed tijdens
het breekwerk van Romeinse
loodrovers zijn eerste ontdekking. Op
basis van de overgebleven sporen kon
hij vaststellen dat het castellum twee
bedrijfsfasen had gekend. De oorspronkelijke
aanleg betrof een rond
bekken met weinig meer inrichting dan
een aanvoerkanaal en de drie afvoeren
naar waarschijnlijk het oosten, midden
en westen van de stad. Ten behoeve van
de tweede bedrijfsfase werd er ingrijpend
verbouwd. In het ronde bekken
legde men een driehoekig reservoir aan
met een driedeling door scheidingsmuren.

Ohlig snapte er niets van - tot topografische
kaarten hem bij de oplossing
brachten. Avella ligt noordoostelijk
van Pompeï en de Vesusius, Serino iets
zuidoostelijk. De beide waterleidingen
volgden vanuit hun oorsprong de hellingen
van de Apennijnen die op een bepaald
punt, Ponte Tirone, bijna de hellingen
van de Vesuvius raken. De ideale
plek om de leidingen te laten oversteken
en verder gebruik te maken van de
Vesuviushelling. Ohlig vond er inderdaad
resten van een Romeins aquaduct.
Een nog niet beschreven en
daarom in de literatuur ontbrekende ruïne.
Hij nam ook hier afzettingsmonsters.
Ohlig: "Wat bleek? Pompeï kreeg
eerst water uit het brongebied van
Avella - in de nattere seizoenen in overvloedige
mate. Die leiding werd waarschijnlijk
aangelegd na 80 voor Christus,
toen Sulla Pompeï veroverde. In
Pompeï kwam het water terecht in een
rond openlucht reservoir, waarna het
doorstroomde naar onderverdelers in
de stad. Maar dan laat keizer Augustus
een waterleiding bouwen voor de vloot
bij Misenum. Daarvoor worden de
bronnen bij Serino aangesproken. De
aangelegde leiding kruist die van Avella
bij Ponte Tirone en hier worden ze op
elkaar aangesloten."
De kalkafzettingen van Misenum en de jongste laag bij Pompeï blijken afkomstig van gemengd Avella/Serinowater. Ohlig: "Kon Pompeï eerst overvloedig putten uit de leiding van Avella, op dat moment werd de stad aangesloten op een groter systeem en moest zij het beschikbare water delen met andere afnemers. Dat men minder water kreeg en zuiniger moest zijn is volgens mij de aanleiding geweest voor de aanpassingen in castellum aquae. Het open reservoir werd overbouwd en men begon aan de constructie van een inrichting voor de rantsoenering."
Ohlig bouwde een schaalmodel van de tweede bedrijfsfase en liet waterbouwkundigen ermee experimenteren. 1n de reconstructie die dit opleverde zijn de drie loden keringen op gelijke hoogte voorzien van sleuven. Daar kon het water doorheen stromen. Door een of meerdere houten wiggen naast elkaar in de sleuven te plaatsen was het mogelijk de hoeveelheid doorstromend water in elk van de drie afvoeren (zonodig tijdelijk) nauwkeurig te doseren. Ohlig vond bij zijn onderzoek ook sporen van een loden pijp die de drie gescheiden waterstromen weer bij elkaar kon brengen. Daar brak hij zich het hoofd over, wat voor zin had dat nu weer? Bij de experimenten met het schaalmodel bleek echter dat deze verbinding kan zijn gebruikt om een grovere distributie van water te bewerkstellingen. Door het plaatsen van stoppen op openingen in de pijp was het mogelijk grotere waterstromen voor een bepaalde tijd in een bepaalde richting te sturen. In die situaties zal men de sleuven in de loden keringen helemaal open hebben laten staan.
Ohlig: "Mijn bevindingen maken duidelijk
dat Pompeï's waterhuishouding
niet werd ingericht volgens de voorschriften
van Vitruvius. De Romeinse
ingenieurs waren zo vernuftig dat ze
met maatregelen die op de lokale situatie
waren toegesneden een maximaal
resultaat konden behalen. De inrichting
van de waterdistributie zal er van
stad tot stad anders hebben uitgezien."