Confessor

Confessor (latijn: belijder). In de griekse brief van de kerken aan Vienna en Lugdunum (Eusebius, Historia ecclesiastica 5, 2, 2) lezen wij dat de toekomstige martelaren de titel martelaar (μάρτυς) afwezen; ze waren slechts nederige ὁμόλογοι (c. is hiervoor het equivalent; naderhand vinden wij in het grieks veelal ὁμολογήτης). Het latijnse woord c. komt bij Tertullianus enkele malen voor, maar het schijnt de sporen van een persoonlijke vorming te dragen (de betekenis is hier: qui confitetur). Bij Cyprianus echter (ten tijde van de vervolging van Decius) is c. een aanduiding voor een bepaalde categorie personen in de kerk. C. is diegene die van de vervolging op de een of andere wijze te lijden heeft, de martyr daarentegen hij die voor het geloof gestorven is of nog zijn leven zal geven. Zo kwam aan degenen die gevangen waren geweest en weer vrijgelaten werden de eretitel c. toe (Cyprianus, Epistula 13,2). In de periode na de vervolgingen gaf men aanvankelijk de titel c. aan de bisschoppen die het ware geloof tegen de ketterijen verdedigden (bv. aan Martinus van Tours), later ook aan degenen die de christelijke waarheid in hun leven wisten te verwezenlijken (de asceten; hiervan vindt men echter in de 4e eeuw nog slechts een beperkt aantal teksten).


Lit. H. Leclercq (DAL 3, 2508-2515). - P. de Labriolle, Martyr et confesseur (Bull. d'anc. Litt. et d'Arch. chrét. 1, 1901, 50-54). H. Delehaye, Martyr et confesseur (AB 39, 1921, 2049). B. Botte (ALMA 16, 1942, 137-148). A. Bugnini, Confessor (EL 60, 1946, 169v). H. Rheinfelder, Confiteri, confessio, confessor im Kirchenlatein und in den romanischen Sprachen (Die Sprache 1, 1949, 56v). H. A. M. Hoppenbrouwers, Recherches sur la terminologie du martyre de Tertullien à Lactance (Nimègue/Utrecht 1961). [Bartelink]


Lijst van Namen