Carthago

thermenCarthago (Καρχηδών) punische, later romeinse stad in het noorden van Tunesië, zeer gunstig gelegen op een schiereiland in de Golf van Tunis (oudtijds Sinus Uticensis), 35 km ten zuidoosten van Utica en 15 km ten oostnoordoosten van de moderne stad Tunis.

aquaduct
Het Romeinse
aquaduct
(I) Geschiedenis tot 146 vC. C., in het punisch Kart Hadast = Nieuwstad geheten, werd in de 9e eeuw vC - volgens Timaeus in 814 - gesticht op de plaats van een oudere phenicische factorij, volgens de sage (Vergilius, Aeneis) door kolonisten uit Tyrus onder leiding van de koningsdochter Dido (Elisa). De uitstekende havens, de machtige handelsvloot, het vruchtbare achterland en waarschijnlijk ook de gematigd-oligarchische regeringsvorm van de stad brachten haar spoedig tot grote bloei (Mago): sinds 600 vC bezat C. de hegemonie over vrijwel alle phenicische kolonies (niet over Utica!) en handelsnederzettingen in het westelijk deel van de Middellandse Zee, vooral op de kusten van Noord-Afrika, Spanje, Sardinië en Sicilië. Dit aanvankelijk op commerciële belangen gebouwde 'rijk' moest uiteraard spoedig in conflict komen met de Etruriërs en de Grieken; vooral laatstgenoemden zagen de expansie van hun talrijke westelijke kolonies bedreigd. Ca. 540 vC brachten de verbonden carthaagse en etruskische vloten de Grieken van Phocaea en Massilia voor de rede van Alalia op Corsica een zware nederlaag toe; in 480 vernietigden de griekse tirannen Gelo van Syracuse en Theron van Acragas op hun beurt bij Himera op Sicilië een grote carthaagse legermacht onder commando van Hamilcar; na enkele decennia, waarin Carthago zich vooral toelegde op de uitbreiding en stabilisering van zijn macht over de kusten van Noord- en West-Afrika, die in het begin van de 5e eeuw vC door Hanno tot ver zuidwaarts waren verkend, nam Hamilcars kleinzoon Hannibal revanche: in 409 verwoestte hij Himera en Selinus, in 406 maakte hij zich meester van Acragas, in 405 van Gela en Camarina. In de volgende jaren echter werden de Carthagers door toedoen van Dionysius van Syracuse weer naar het westelijk deel van Sicilië teruggedreven. Ca. 375 vC kwamen beide partijen overeen de riviertjes Himeras en Halycus voortaan als grens tussen de griekse en de carthaagse machtssfeer te beschouwen; ze bleven dit, ondanks telkens oplaaiende strijd Timoleon; Agathocles), tot aan het eerste grote conflict tussen C. en Rome.

Met deze stad had C. in 508 en 348 vriendschapsverdragen gesloten, die nog in 279 hernieuwd werden.

Veertien jaar later vormde een conflict tussen Syracuse en Messana de aanleiding tot de eerste punische oorlog (264-241), die eindigde met de nederlaag van Carthago, dat al zijn bezittingen op Sicilië aan Rome moest afstaan. Van 241 tot 238 werd Carthago door een ernstige muiterij van zijn ontevreden huurtroepen geteisterd Hamilcar Barcas); hiervan profiteerde Rome door beslag te leggen op Sardinië en Corsica. De Carthagers stelden zich schadeloos in Spanje; de oorlogspartij in de stad, geleid door de Barciden, bewerkte dat er de knapste generaal van deze familie heen gezonden werd, Hamilcar Barcas. Deze veroverde bijna geheel Zuid-Spanje met de aldaar gelegen rijke ertsmijnen en zorgde tevens dat Carthago over een goed geoefend leger bleef beschikken. Het in 226 door Hamilcars schoonzoon Hasdrubal met Rome gesloten z.g, Ebro-verdrag, waarbij de invloedssferen van beide rijken werden afgebakend, kon niet verhinderen dat in 218 naar aanleiding van de punische verovering van het met Rome verbonden Saguntum de tweede punische oorlog (218-201) uitbrak. Hamilcars begaafde zoon Hannibal trok met een grote, uitstekend geoefende legermacht over de Ebro, de Pyreneeën, de Rhône en de Alpen en viel vanuit het noorden Italië binnen, waar de Romeinen volstrekt onvoorbereid waren. Nadat Hannibal in de eerste jaren van de strijd succes op succes had behaald en Rome aan de rand van de ondergang had gebracht, begon in 212 met de romeinse verovering van Syracuse de krijgskans te keren; Hannibal ontving bovendien onvoldoende steun uit het moederland. Tenslotte bracht Scipio (maior) de vijand bij Zama, op afrikaanse bodem, een vernietigende nederlaag toe. De vredesvoorwaarden waren zwaar: C. moest Spanje aan Rome afstaan, het grootste deel van zijn vloot en alle olifanten uitleveren, een schatting van 10.000 talenten betalen en - het meest vernederende - het mocht zonder romeinse toestemming geen oorlog meer voeren, zelfs niet in Afrika. Dit betekende het einde van Carthago als grote mogendheid; slechts zijn handel herstelde zich in de volgende decennia nog enigermate. Toen het in 150 vC, tot het uiterste getergd door de numidische buurvorst Masinissa, naar de wapenen greep, greep Rome in en begon de derde punische oorlog. Drie jaar bood C. nog weerstand tegen de slecht geleide aanvallers, totdat in 146 Scipio (minor) de tucht herstelde, de stad veroverde en haar op senaatsbevel met de grond gelijk liet maken. Het carthaagse gebied werd de romeinse provincie Africa.

(II) De bestuursvorm van het punische Carthago, door Aristoteles bewonderd, was een oligarchie van enkele voorname families. Aan het hoofd stonden twee, telkens voor één jaar gekozen suffeten, die de opperste uitvoerende en rechterlijke macht bezaten. De algemene leiding berustte bij een senaat, de volksvergadering had slechts geringe invloed, o.a. bij de verkiezing van de suffeten en van de legercommandanten. Het carthaagse leger bestond sinds de 6e eeuw vC grotendeels uit huurtroepen, geworven in Libië, Spanje, Sicilië en zelfs in Gallië en Italië.

De carthaagse handelspolitiek was vooral gericht op het scheppen en handhaven van bepaalde monopolies; vreemde schepen die in het monopoliegebied werden aangetroffen, werden zonder meer tot zinken gebracht. Zo beheerste C. niet alleen de gehele handel in goud, zilver en tin in het westelijk bekken van de Middellandse Zee, maar wist ook alle concurrentie te weren uit de afzetgebieden voor zijn eigen agrarische en industriële producten, o.a. ceramiek, metalen en ivoren gebruiksvoorwerpen, schepen,stoffen.

De godsdienst van het punische Carthago bleef in hoofdzaak trouw aan haar phenicische oorsprong. De hoofdgoden waren Baal Hammon en de godin Tanit (van libische oorsprong?); daarnaast namen Esmun en Melkart een belangrijke plaats in. De eredienst, die ons overigens slechts vaag bekend is, kende ook mensenoffers, die blijkbaar een taai bestaan hebben geleid; nog in de keizertijd moest er tegen worden opgetreden.

De taal van Carthago, het punisch, is ons slechts bekend uit ruim 5000 inscripties, waarvan de overgrote meerderheid echter op ex-voto's voorkomt en dus een zeer eenzijdige bron vormt. Nog in Augustinus' tijd werd hier en daar in Noord-Afrika punisch gesproken (zie ook s.v. Hanno en Mago).

thermen
De thermen van Antoninus
(III) Geschiedenis van 146 vC tot 698 nC. Hoewel de romeinse senaat na de verwoesting van C. in 146 een formeel verbod had uitgevaardigd zich op de gevloekte plaats te vestigen, werd er niettemin in 122 vC door Gaius Gracchus met 6000 kolonisten de romeinse Colonia Iunonia - de carthaagse godin Tanit werd door de Romeinen geïdentificeerd met Iuno - gesticht, die echter al het volgende jaar na Gracchus' dood haar rechten verloor. Pas 75 jaar later, na Caesars overwinning in Afrika, werd deze nederzetting, sinds 44 vC Colonia Iulia Concordia Carthago geheten, officieel hersticht. Hierbij werd vooralsnog het centrum van het punische Carthago gemeden, totdat Augustus in 29 vC de daarop rustende vloek ophief. In 14 nC werd zelfs de residentie van de gouverneur van Africa proconsularis van Utica naar de nieuwe stad verplaatst. Deze behoorde op het eind van de 1e eeuw tot de belangrijkste centra van het rijk en deed niet onder voor Alexandrië en Antiochië. Hadrianus, die er tweemaal verbleef en waarschijnlijk het monumentale aquaduct liet aanleggen dat het water van 130 km ver aanvoerde, Antoninus Pius, die na een grote brand vele openbare gebouwen herstelde en de naar hem genoemde thermen liet bouwen, en andere keizers droegen bij tot de verfraaiing van C. Onder Caracalla luidde de officiële naam van de stad, die in deze eeuwen ook een vermaard centrum van onderwijs en geestescultuur was, Colonia Felix Iulia Aurelia Antoniniana C. Eerst toen in 439 de Vandalen Carthago hadden veroverd en tot hun hoofdstad hadden gemaakt, kwam er een eind aan haar bloei. Bijna 100 jaar duurde de harde heerschappij der Vandalen, pas in 533 werden ze door een oostromeins leger onder Belisarius verdreven. In 698 viel de stad, na een eerste mislukte poging, definitief in arabische handen en werd ze voor de tweede maal met de grond gelijk gemaakt.

mozaiek(IV) Opgravingen. Het systematische archaeologische onderzoek van Carthago begon in 1859; in dat jaar identificeerde Beulé op de burchtheuvel Byrsa een aantal romeinse resten en onderzocht de ligging der havens en de necropolis van Gamart, een joodse begraafplaats uit de romeinse tijd. In 1874 bracht de diplomaat E. de Sainte-Marie op het terrein tussen de Byrsa en de zee bijna 2200 punische grafstelen met inscripties aan het licht, waaraan Reinach en Babelon in 1894 nog 580 stuks toevoegden. Tussen 1878 en 1909 exploreerden Delattre, Gauckler, Merlin en Drapier een tiental punische necropolen, waarvan de oudste uit de 7e eeuw vC dateerde. In 1908 en 1911 vond Merlin op het eilandje in de oude ronde haven overblijfselen van punische gebouwen. In 1916 legde Carton ten zuidwesten van de ronde haven resten van een punisch heiligdom bloot; dezelfde Carton ontdekte de z.g. Fontaine aux mille amphores, een waterbassin waarbij 2000 stuks vaatwerk werden aangetroffen. Sinds 1930 concentreerde het onderzoek zich vooral op een terrein ten westen van de grote binnenhaven, waar zich een grote punische offerplaats bevonden schijnt te hebben (Lapeyre, Lantier, Kelsey, Cintas), en op de haveninstallaties (Poidebard).

De exploratie van het romeinse Carthago was gemakkelijker, omdat van vele romeinse gebouwen de resten nog duidelijk zichtbaar waren. Het meest indrukwekkend zijn de ruïnes, sinds 1945 gedeeltelijk gerestaureerd, van de uitgestrekte thermen van Antoninus Pius. De meeste opgegraven voorwerpen en vele inscripties bevinden zich thans in het Musée Lavigerie te C. of in het Musée du Bardo te Tunis.

(V) Topografie. Op bijgaande kaartjes is de ligging aangegeven van de voornaamste punten en monumenten van het punische en van het romeinse Carthago. Beider stadsplannen hebben niets met elkaar gemeen dan de natuurlijke gesteldheid van het terrein. Het centrum van de punische stad, die in de 3e eeuw vC ca. 400.000 inwoners geteld moet hebben, strekte zich uit ten oosten en zuidoosten van de afzonderlijk ommuurde burchtheuvel Byrsa. De dubbele binnenhaven - het rechthoekige zuidelijke deel bestemd voor de handels-, het ronde noordelijke deel voor de oorlogsmarine - bood plaats aan honderden schepen. Op de Byrsa stond de tempel van de god Esmun, de tempels van Tanit en Baal Hammon moeten vermoedelijk gelocaliseerd worden resp. ten westen en ten noorden van de haven. De noordelijke buitenwijken heetten Magara of Megara; ook deze lagen binnen de 33 km lange stadsmuur. Van de gebouwen en omwalling van het punische Carthago is echter, op schaarse fragmenten na, zo goed als niets teruggevonden.

Van de Coloniae Iunonia en Iulia is nog duidelijk de indeling in rechthoekige kavels te onderscheiden. Voorts konden de thermen van Antoninus Pius, van het circus (300 m lang), van het amfitheater (dat bijna dezelfde afmetingen had als het Colosseum te Rome), een theater en een odeon worden geïdentificeerd en onderzocht; ook grote cisternen, deel nog van punische oorsprong, en vele resten van particuliere huizen met interessante mozaïekvloeren zijn aan het licht gekomen. De resten van oud-christelijke gebouwen zijn talrijk:
van de negenbeukige Damus el-Karita (65 x 45 m), de eveneens negenbeukige Basilica Perpetuae of Maiorum, de zevenbeukige Basilica Cypriani (60 x 35 m), de Basilica Baptisterii (34 x 24 m) en andere cultusgebouwen is het grondplan geheel of gedeeltelijk blootgelegd.



Lit. R. Oehler/T. Lenschau (PRE 10, 2150-2242). P. Romanelli (EAA 2, 373-377). - Corpus Inscriptionum Semiticarum 1 (Paris 1881vv). - O. Meltzer/U. Kahrstedt, Geschichte der Karthager 1-3 (Berlin 1879-1913). S. Gsell, Histoire ancienne de l'Afrique du Nord 1-4 (Paris 1913-1920). A. Audollent, Carthage romaine (Paris 1904). P. Gauckler, Nécropoles puniques de Carthage 1-2 (ib. 1915). V. Ehrenberg, Karthago (Leipzig 1927). H. P. Hurd, The Topography of Punic Carthage (1934). C. G. Lapeyre/A. Pellegrin, Carthage punique (Paris 1942). J. Vogt e.a., Rom und Karthago (Leipzig 1943). M. Hours-Miédan, Carthage (Paris 1949). P. Cintas, Céramique punique (ib. 1950). P. Hubac, Carthage (ib. 1952). G. Picard, Le monde de Carthage (ib. 1956). Id., La vie quotidienne à Carthage au temps d'Hannibal (ib. 1958). S.-E. Tlatli, La Carthage unique. Étude urbaine (Paris 1978). S. Moscati, Die Karthager (Stuttgart 1984).


(VI) Christelijk Carthago. Ten tijde van Tertullianus waren er te C. reeds talrijke christenen. Ca. 220 riep bisschop Agrippinus voor het eerst te C. een synode bijeen. Sedertdien bleek de bisschop van C. een dominerende positie te bezitten, niet slechts in Africa proconsularis, maar ook in Numidië en Mauretanië. Onder Cyprianus (ca. 250) deden zich moeilijkheden in verband met de wederopname van de lapsi en de geldigheid van de ketterdoop voor. In 311 begon ten gevolge van een opvolgingskwestie op de bisschopszetel van Carthago het donatistische schisma, dat tot in de 5e eeuw duurde. Onder bisschop Quodvultdeus veroverden de ariaanse Vandalen Carthago in 439, hetgeen het begin van een langdurige vervolging betekende. Sedert het einde van de 19e eeuw zijn verschillende van de meer dan twintig uit de schriftelijke bronnen bekende basilieken opgegraven. De typen lopen uiteen; er zijn er met drie, zeven of zelfs negen beuken, met ronde apsis of rechthoekig grondplan. De identificatie levert dikwijls moeilijkheden op. Talrijk zijn voorts de kleinere vondsten, bewaard in het Musée Lavigerie te C. en het Musée du Bardo te Tunis.


Lit. H. Leclercq (DAL 2, 2190-2330). - P. Gauckler, Les basiliques chrétiennes de Tunisie (Paris 1913). J. Vaultrin, Les basiliques chrétiennes de Carthage (Alger 1933). G. Lapeyre, L'ancienne église de Carthage (Paris 1933). G. Lapeyre/A. Pellegrin, Carthage latine et chrétienne (ib. 1950). J.-P. Brisson, Autonomisme et Christianisme dans l'Afrique Romaine (ib. 1958). N. Duval/A. Lézine (Cah. Arch. 10. 1959, 71-147). [Bartelink]


Kaart