Goten

Goten (latijn Goti, Γότθοι), oostgermaans volk, dat oorspronkelijk in Zuid-Zweden (Götaland) woonde en in de 1e eeuw vC naar het mondingsgebied van de Weichsel overstak. In de 2e eeuw nC drongen zij verder naar het zuiden en in de eerste helft van de 3e eeuw begonnen hun invallen in het romeinse rijk over de Beneden-Donau. In 251 versloeg hun koning Kniva een romeins leger onder keizer Decius bij Abrittus (Dobroedsja), waarbij de keizer sneuvelde. In de volgende jaren plunderden de G. Klein-Azië en Griekenland, totdat keizer Claudius II Gothicus hun in 269 een zware nederlaag toebracht bij Naissus (Moesia).

kaart

Ongeveer een eeuw lang hielden zij zich vrij rustig. In die tijd, of mogelijk al iets eerder, ontstonden er twee groepen: Westgoten (Visigoten = Wijze Goten) en Oostgoten (Ostrogoten). Beiden kwamen opnieuw in beweging door het opdringen van de Hunnen.

In 376 verzochten en kregen de Westgoten van keizer Valens toestemming om zich in het romeinse rijk te vestigen. Trouweloos door de Romeinen behandeld, grepen zij naar de wapenen en versloegen Valens in 378 bij Adrianopel, in welke slag Valens de dood vond. Zijn opvolger Theodosius de Grote maakte wel een einde aan hun plunderingen, maar stond hun toe in het rijk te blijven. Onder hun koning Alarik trokken zij westwaarts en namen in 410 Rome in, dat zij enige dagen plunderden.

Uiteindelijk stichtten de Westgoten een rijk in Zuid-Frankrijk met Toulouse als hoofdstad en veroverden daarna Spanje. In 451 steunden zij Aetius tegen Attila in de slag op de Catalaunische Velden, waar hun koning Theoderik I sneuvelde. Zuid-Frankrijk verloren zij in de 6e eeuw aan de Franken, in Spanje handhaafden zij zich tot 711, toen de Arabieren hun leger vernietigden bij Xeres de Frontera.

De Oostgoten kwamen ca. 370 nC onder de heerschappij van de Hunnen, waarvan zij zich pas na Attila's dood (453) konden bevrijden. Onder het vorstengeslacht der Amalen vestigden zij zich in Pannonië en later op de Balkan. De oostromeinse keizer Zeno (474-491) wist hen ertoe te brengen een einde te maken aan de regering van Odoaker in Italië. Theoderik de Grote voerde hen daarheen en stichtte na Odoaker verslagen en gedood te hebben (493) een koninkrijk dat ruim een halve eeuw stand hield. Belisarius en Narses, de veldheren van Justinianus I, vernietigden het en brachten Italië weer onder de heerschappij van de oostromeinse keizer.

Tijdens hun verblijf in de Donaulanden waren de G. tot het christendom bekeerd, en wel tot het arianisme; bisschop Ulfilas vertaalde de bijbel in het gotisch.

De tegenstelling tussen de ariaanse G. en de orthodoxe bevolking van hun rijken was een van de oorzaken dat deze geen stand hielden. Op de Krim heeft een groep G. zich nog lang gehandhaafd, mogelijk tot in de 18e eeuw. In de 16e eeuw kon de gezant van keizer Ferdinand II bij de sultan in Constantinopel, Ghislain van Busbeke, nog met G. spreken en een lijst van 86 'krimgotische' woorden opstellen.


Lit. Jordanes, Gotica, een bewerking van de verloren gegane Historia Gotica van Cassiodorus. Ammianus Marcellinus 26-31. Zosimus, Historia Nova. - Schönfeld (PRE, Suppl. 3, 1918, 797-845). - L. Schmidt, Geschichte der deutschen Stamme 1. Die Ostgermanen² (München 1941) 195-528. E. Schwarz, Germanische Stammeskunde (Heidelberg 1956). T. S. Burns, The Ostrogoths. Kingship and society (Wiesbaden 1980). S. Teillet, Des Goths à la nation gothique. Les origines de l'idée de nation en occident du Ve au VIIe siècle (Paris 1984). [Stolte]


Kaart