Tell Beit Mirsim

Tell Beit Mirsim, ruïneheuvel van 3 ha in het zuiden van Palestina, gelegen ten zuidwesten van Hebron, wellicht te vereenzelvigen met het bijbelse Debir (Joz 15,15; Ri 1,11). De opgravingen van W. F. Albright (1926-1932) vormden lange tijd de basis voor de aardewerk-sequentie van Palestina.

Lagen I-H (2100-1900 vC). Over de stenen plaveisels van I lag een brandlaag. In H was de stad waarschijnlijk al ommuurd. Veel van het aardewerk, waaronder bekers, had groeven onder de rand of gekamde banden op de schouder, wellicht door invloed uit Syrië.

Lagen G-F (1900-1750 vC). In G was er een 3 m dikke stadsmuur met torens van 6 x 10 m. Na een brand werd in F een door steunberen versterkte binnenmuur toegevoegd. Een goed bewaard huis had muren van 80 cm dik; men kwam binnen in een hal van 4 X 11 m met drie stenen bases voor houten zuilen. Het aardewerk was gekenmerkt door rood gepolijste lage bekers met een knik in de wand zoals in Libanon uit koper werden vervaardigd. Lagen E-D (1750-1550 vC). In deze tijd beleefde de stad haar grootste bloei. De ommuring werd nu op een wal geplaatst. Bij de oostpoort stond een herenhuis met muren van 1,30 m dik, bestaande uit een binnenplaats, een opslagvleugel met 20 olie- en wijnvaten en een woongedeelte van vier kamers met verdieping. Een stele stelt een heerser voor in een syrisch gewaad met dikke randen. Van de bovenverdieping was een ganzenbord met ivoren dobbelstenen en pionnen van glaspasta neergevallen. In de brandlaag vond men veel slachtoffers die voorover waren gevallen. Onder het aardewerk bevonden zich nu veel knikwandbekers op hoge voet, naast ingekerfde zwarte kruikjes met witte vulling en importen uit Cyprus en Egypte. Een scarabee vermeldt Jakob-Her, de tweede koning der 15e of Hyksosdynastie.

Laag C (1400-1200 vC). In deze laag was de bewoning beperkt tot enkele huizen met graanopslagkuilen daartussen. Myceens aardewerk duidt op een einde tegen 1200 vC.

Lagen B-A (1200-600 vC). Op eveneens schaarse bewoning in B, met filistijns aardewerk (Filistijnen), volgde de bouw van solide huizen, met rijen van stenen pijlers, in A. De laatste fasen van de westtoren en de oostpoort dateren uit de 7e eeuw vC. In de verwoestingslaag vond Albright zegelafdrukken van de zaakwaarnemer van koning Jojachin, die toen (ca. 590 vC) reeds in babylonische ballingschap verkeerde.


Lit. W. F. Albright, Excavations in T.B.M. 1-3 (AASOR 12, 1932, 1-165; 13, 1933, 55-127; 17, 1938, 1-141; 21/22, 1943, 1-229). [van Loon]


Afkortingen  Kaart