
Teman (hebreeuws tēmān, 'zuidelijk'; LXX Θαιμααω),
toponiem dat in het OT zesmaal voorkomt,
meestal in verbinding met Edom (Jr 49, 7 en 20; Ez
25, 13; Am 1, 12; Ob 9), eenmaal met Paran (Hab
3, 3). T. kan een landstreek aanduiden (zo waarschijnlijk
in Am en Jr), maar ook een stad. De ligging
is niet nauwkeurig aan te geven; Glueck zoekt
het in Tawilan bij Petra, anderen in Shobak ten
noordoosten van Petra. Een van Jobs vrienden, Elifaz,
was een Temaniet. Temanieten stonden bekend
om hun wijsheid (Jr 49, 7; Bar 3, 22). Ze worden
ook genoemd in Gn 36, 34 (= lKr 1, 45). Plinius
maior vermeldt hen samen met de Nabateeën (Naturalis
historia 6, 32, 14).
T. als hoofd van een stam van Edom komt driemaal
voor in Gn 36 (cf. 1Kr 1, 36 en 53).
Lit. Abel 1, 284v. Simons 90, 467. - N. Glueck, The Other Side of
the Jordan (New Haven 1940) 24-26. R. de Vaux, Téman, ville ou
région? (RB 76, 1969, 379-385).
[Attema]