Thucydides

Thucydides (Θουκυδίδης), naam van twee belangrijke Atheners uit de 5e eeuw vC.

(1) Thucydides, zoon van Melesias, atheens staatsman uit het midden van de 5e eeuw vC. Hij stamde uit een rijke familie en was gehuwd met een dochter van Cimon. Evenals deze was T. een fervent tegenstander van Pericles. Na Cimons dood (449) organiseerde hij de oligarchische oppositie in een ἑταιρία en versterkte haar invloed in de volksvergadering. Hij verzette zich tegen de kostbare bouwprogramma's van Pericles en ca. 445 wist hij de ostracisering van Pericles' adviseur Damon te bereiken. In 443 werd hij zelf door het ostracisme getroffen en moest hij voor tien jaar de stad verlaten. Over zijn verdere lotgevallen en over zijn eventuele betrokkenheid bij processen tegen Pericles' vrienden na zijn terugkeer in Athene, is niets met zekerheid bekend.


Lit. K. Fiehn (PRE 6A, 625-627). - H. T. Wade-Gery, T. the Son of Melesias. A study of Periclean policy (Journal of Hellenic Studies 52, 1932, 205-227). G. Prestel, Die anti-demokratische Strömung im Athen des 5. Jahrhunderts bis zum Tod des Perikles (Diss. Breslau 1939) 43-53. A. E. Raubitschek, Theopompos on T. the Son of Melesias (Phoenix 14, 1960, 81-95). H. D. Meyer, Thukydides Melesiou und die oligarchische Opposition gegen Perikles (Historia 16, 1967, 141-154). [Nuchelmans]


buste Napels Museo Nazionale(2) Thucydides, zoon van Olorus, bekend grieks geschiedschrijver.

(I) Leven. De enige zekere biografische gegevens over T. zijn te vinden in zijn werk. De T.-biografie die op naam van Marcellinus staat is waarschijnlijk in de 6e eeuw nC gecompileerd uit diverse bronnen. T. was de zoon van Olorus, wiens naam naar een thracische afkomst verwijst; zijn familie was verwant met de Philaïden, een van de invloedrijkste atheense geslachten, waartoe ook Miltiades en Cimon behoorden. Over Thucydides' jeugdjaren en opleiding is niets bekend. Hij was atheens strateeg in 424 vC en in deze functie actief betrokken bij de peloponnesische oorlog. Hij slaagde er niet in de spartaanse aanvoerder Brasidas te beletten Amphipolis in te nemen, hetgeen aanleiding gaf tot zijn verbanning uit Athene; de omstandigheden van zijn ballingschap blijven duister. Waarschijnlijk keerde T. na het einde van de oorlog naar Athene terug en stierf hij enkele jaren later.

Onder de bewaard gebleven beeltenissen van T. zijn het bekendst een dubbele buste (T. en Herodotus) in het Museo Nazionale van Napels en een buste in Holkham Hall, beide romeinse kopieën gemaakt naar een grieks standbeeld uit het midden van de 4e eeuw vC (zie K. Schefold, Die Bildnisse der antiken Dichter, Redner und Denker, Basel 1943, 76-79, 205v).

(II) Inhoud van Thucydides' werk. T. nam zich voor de geschiedenis van de peloponnesische oorlog (431-404 vC) te schrijven. Het onvoltooide werk is overgeleverd in acht boeken. Boek 8 eindigt abrupt; de minder afgewerkte vorm ervan (redevoeringen ontbreken, in het verhaal zitten onduidelijkheden) wijst erop dat T. er niet de laatste hand aan heeft kunnen leggen, wat mogelijk ook voor andere delen geldt, zoals boek 5, 14-116. Xenophon (in zijn Hellenica) en de onbekende auteur van de Hellenica Oxyrhynchia hebben de beschrijving van de peloponnesische oorlog voortgezet vanaf het punt waar Thucydides' werk eindigt.

tekst

Boek 1 bevat een inleiding over de oudste geschiedenis van Griekenland (de z.g. archeologie), een samenvatting van de gebeurtenissen tussen het einde van de perzische en het begin van de peloponnesische oorlog (de z.g. pentekontaëtie) en een diepgaande analyse van de oorzaken van het conflict. De boeken 2 tot 5,24 behandelen de eerste fase van de peloponnesische oorlog (de archidamische oorlog, 431-421). Belangrijke passages zijn o.m. de lijkrede van Pericles (2,34-36), de beschrijving van de epidemie die Athene teisterde en die ook Pericles' dood ten gevolge had (2,47-54), en de bittere beschouwingen over de gruwelen van de burgeroorlog (3,82-84). Boek 5,25-116 beschrijft de periode van de 'schijnvrede' (421-415) en bevat o.m. de dialoog van de Atheners met de Meliërs (5,84-114). De boeken 6 en 7 zijn gewijd aan de atheense expeditie naar Sicilië (415-413); deze boeken, met o.m. het dramatisch verhaal van de atheense nederlaag, behoren tot de zorgvuldigst uitgewerkte delen van het werk. Boek 8 behandelt de deceleïsche oorlog en de oligarchische omwenteling in Athene (413-411).

(III) Karakter en betekenis van het werk. Het werk kan het best gekarakteriseerd worden als een historische monografie over eigentijdse militaire en politieke gebeurtenissen en onderscheidt zich van Herodotus' Historiën door de strenge concentratie op het thema. T. zelf verklaart (1,1) dat hij begon te schrijven zodra de oorlog uitbrak. Hieruit kan men opmaken dat hij vanaf het begin ijverig notities heeft gemaakt, niet dat de redactie de gebeurtenissen op de voet heeft gevolgd. Vanaf het begin van het werk vindt men immers verwijzingen naar de nederlaag van Athene in 404, wat op zijn minst een herziening veronderstelt. Tot zekerheid omtrent het tijdstip waarop de verschillende delen van het werk zijn ontstaan, is men nog niet gekomen.

Op enkele gevallen na (bv. 1,21-22; 5,26) geeft T. zelf weinig inlichtingen over de wijze waarop hij zijn bronnen verzamelde en evalueerde, evenmin als over de bedoeling van zijn werk. In de archeologie, waarin het verre verleden wordt behandeld, neemt hij o.m. zijn toevlucht tot archeologische bronnen (graftomben op het eiland Delus, 1,8; overblijfselen van Mycene, 1,10), gebruiken en gewoonten van volken (Noordwest-Grieken, 1,5; Cariërs, 1,8) en het Homerische epos. Voor de pentekontaëtie verwijst hij expliciet naar Hellanicus, terwijl hij voor de oudste geschiedenis van Sicilië eveneens werken van voorgangers heeft benut, bv. Antiochus van Syracuse.

Tegenover dit bronnenmateriaal neemt T. een uiterst kritische houding aan; zo houdt hij rekening met overdrijvingen en verfraaiingen, die eigen zijn aan het epos en de verhalen van de logografen. Voor de peloponnesische oorlog zelf steunde hij hoofdzakelijk op eigen ervaring en op mededelingen van ooggetuigen. Zoals hij zelf verklaart, stelde zijn verbanning uit Athene hem in staat om gemakkelijker inlichtingen in te winnen in het andere kamp. Ook de betrouwbaarheid en de draagwijdte van het ooggetuigenis worden echter door T. kritisch benaderd. Hiernaast moet ook rekening worden gehouden met het gebruik van documenten. Zo wordt in 5,47 een overeenkomst vermeld die gesloten werd tussen Athene, Argos, Mantinea en Elis in 420 en waarvan een gedeelte als inscriptie bewaard gebleven is. De vergelijking leert dat er slechts lichte afwijkingen voorkomen, die trouwens normaal zijn voor de citeerwijze van de antieke historiografen. Het verhaal van de oorlogsgebeurtenissen wordt door T. in een streng chronologisch kader geplaatst. Het begin van de oorlog wordt aangeduid door een synchronisme tussen de kalenders van Athene, Sparta en Argos (2,2) en daarna worden de opeenvolgende jaren genummerd en verder ingedeeld in winter en zomer, wat door het verloop van de krijgsactiviteiten werd ingegeven.

Een belangrijk deel van het werk bestaat uit redevoeringen van politici, legeraanvoerders en diplomaten, soms uitgewerkt in rede en tegenrede. Moeilijk uit te maken is de graad van historiciteit van deze redevoeringen. Zeker is dat niet alleen de stilistische inkleding van T. zelf is, maar dat hij ook persoonlijke inzichten in de diepere samenhang en de verklaring van de gebeurtenissen via de diverse sprekers heeft willen mededelen.

Alles wijst er trouwens op dat T. een uiterst persoonlijke interpretatie van de historische gebeurtenissen geeft. Reeds bij de selectie van de feiten gaat hij zo te werk dat zijn eigen visie het best tot uiting komt. Hij gaat op zoek naar de krachten die de geschiedenis voortstuwen en tracht bij zijn ontleding van het causale verband een onderscheid te maken tussen symptomen, aanleidingen en dieperliggende oorzaken. Hierbij hecht hij veel belang aan de psychologische factoren, zoals de menselijke hebzucht en eerzucht, maar ook de invloed van de geografische omgeving en de daarmee verbonden economische mogelijkheden krijgen aandacht. Door de diversiteit van de historische feiten heen wil hij een soort van wetmatigheden of probabiliteiten opsporen die de geschiedenis leiden. Alleen op deze wijze kan z.i. een authentiek inzicht in het verleden worden gerealiseerd; dit inzicht acht hij eveneens nuttig voor de volgende generaties, daar hij de menselijke natuur als in wezen onveranderlijk beschouwt.

Thucydides' ideeënwereld vertoont raakpunten met de opvattingen van sommige sofisten. Verder moet gewezen worden op de verwantschap met de toenmalige wetenschap, vooral de geneeskunde. In die tijd ontstond immers een belangrijke medische literatuur (Hippocrates), waarvan vooral de methode aandacht verdient: uitgaande van nauwkeurige observatie tracht men de ziekte te identificeren; men vergelijkt gelijkaardige gevallen en wil door studie van de omgeving komen tot een verklaring van de ziekteverschijnselen. De uitgesproken rationele attitude van T. is een van de belangrijkste verschillen met zijn voorganger Herodotus. Elke religieuze dimensie is afwezig; voor de verklaring van het historisch proces wordt, in tegenstelling met Herodotus, geen beroep gedaan op metafysische factoren. Ook T. zag echter de qnmogelijkheid in om het menselijk gedrag, zowel individueel als in groep, strikt rationeel te verklaren: vandaar de rol die hij toekent aan de tyche, het onberekenbare. Over zijn politieke opvattingen heeft T. zich niet duidelijk uitgesproken. Zeker was hij geen radicaal democraat. De wispelturigheid en beïnvloedbaarheid van de massa worden in het licht gesteld en de verwording van het leiderschap te Athene na de dood van Pericles wordt fel gehekeld. De uiterst positieve evaluatie van Pericles als staatsman (2,65) toont trouwens aan dat T. meer belang hechtte aan de kwaliteit van de individuele politieke leiders dan aan de technische aspecten van de constitutie.

(IV) Taal en stijl. Thucydides' taal en stijl verraden zijn zoeken naar de meest genuanceerde uitdrukking van de gedachten. Hij schrijft gedrongen, vaak archaïserend en maakt veelvuldig gebruik van antithesen, die echter door bewust nagestreefde variatio (μεταβολή) nooit tot eentonigheid leiden. Ook de talrijke abstracta geven zijn taal een streng, soms moeizaam karakter.

In de oudheid heeft T. weinig navolgers gehad; vooral de taalkundige en stilistische aspecten van zijn werk werden besproken, o.m. door Dionysius van Halicarnassus, die een belangwekkend tractaat (Περὶ τοῦ Θουκυδίδου χαρακτῆρος) aan hem wijdde. Met de ontwikkeling van de moderne kritische geschiedeniswetenschap ontstond grote waardering voor Thucydides' nauwgezet streven naar een gedetailleerde reconstructie van de historische feiten en voor zijn poging tot diepgravende analyse. Toch blijft ook nu zijn 'objectiviteit' een omstreden kwestie.

(V) Tekstoverlevering. Het oudste T.-handschrift, de Laurentianus 69,2, dateert uit de 10e eeuw en behoort tot een groep waarvan o.a. ook deel uitmaken de codices Vaticanus graecus 126, Palatinus (Heidelbergensis) graecus 252 en Monacensis 430, alle drie uit de 11e eeuw. Van de jongere handschriften zijn vooral van belang de Monacensis 228 (einde 13e eeuw) en de Parisinus graecus 1734 (14e eeuw).


Lit. Uitgaven: Editio princeps van Aldus Manutius (Venetië 1502). Beste moderne edities: C. Hude, Thucydidis Historiae 1-2 (Leipzig 1898-1901, ²1913-1925; editio minor 1920-1928, ²1919-1933). H. Stuart Jones/J. E. Powell, Thucydidis Historiae 1-2 (Oxford 1942). O. luschnat, Thucydidis Historiae, libri I-II (Leipzig 1954, ²1960). G.B. Alberti, Thucydidis Historiae, libri I-II (Rome 1972). Met engelse vertaling: C. F. Smith, T. History of the Peloponnesian War 1-4 (Loeb Class. Libr., London 1919-1923). Met franse vertaling: J. de Romilly/Bodin/R. Weil, Thucydide, La guerre du Peloponnèse 1-6 (Paris 1953-1972). Met duitse commenlanr: G. Böhme/S. Widmann, Thukydides 1-9 (Leipzig 1894-1908). J. Classen/J. Steup, Thukydides 1-8 (Berlin 1893-1922 = 1966v). Historische commentaar: A. W. Gomme, A Historical Commentary on T. 1-5 (Oxford 1945-1981; delen 4 en 5 bewerkt door A. Andrewes en K. J. Dover). Duitse vertaling: G. Landmann, Thukydides, Geschichte des Peloponnesischen Krieges (Zürich 1960). Nederlandse vertaling: M. Schwartz, De Peloponnesische oorlog (Haarlem 1964).

Lexicon en index: E. A. Betant, Lexicon Thucydideum 1-2 (Genève 1843-1847 = Hildesheim 1969). M. von Essen, Index Thucydideus (Berlin 1887 = Darmstadt 1964).

Scholia: C. Hude, Scholia in Thucydidem (Leipzig 1927). Srudies: O. Luschnat (PRE Suppl. 12, 1970, 1085-1354, ook afzonderlijk verschenen Stuttgart 1971; Suppl. 14, 1974, 760-786). - F. M. Cornford, T. Mythistoricus (London 1907 = 1965). E. Schwartz, Das Geschichtswerk des Thukydides (Bonn 1919, 1929 = Hildesheim 1960). W. Schadewaldt, Die Geschichtsschreibung des Thukydides. Ein Versuch (Berlin 1929). H. Patzer, Das Problem der Geschichtsschreibung des T. und die thukydideische Frage (Diss. Berlin 1937). J. Ros, Die Metabole (Variatio) als Stilprinzip des Thukydides (Paderborn 1938 = Amsterdam 1968). J. H. Finley, T. (Cambridge Mass. 1942, ²1947 = Ann Arbor 1963). J. de Romilly, Thucydide et l'impérialisme athénien (Paris 1947, 1951; engelse vertaling T. and Athenian Imperialism, Oxford 1963). C. Meyer, Die Urkunden im Geschichtswerk des Thukydides (München 1955). J. de Romilly, Histoire et raison chez Thucydide (Paris 1956). F. E. Adcock, T. and his History (Cambridge 1963). R. Syme, T. (London 1963). A. Kleinlogel, Geschichte des Thukydidestextes im Mittelalter (Berlin 1965). H.-P. Stahl, Thukydides. Die Stellung des Menschen im geschichtlichen Prozess (München 1966). K. von Fritz, Die griechische Geschichtsschreibung 1 (Berlin 1967) 523-823. H. D. Westlake, Individuals in T. (Cambridge 1968). H. Herter, Thukydides (Wege der Forschung 98, Darmstadt 1968; verzameling van artikelen van diverse auteurs uit de jaren 1930-1965). A. G. Woodhead, T. on the Nature of Power (Cambridge Mass. 1970). P. A. Stadter ed., The Speeches in T. (Chapel Hill 1973). V.J. Hunter, T., the Artful Reporter (Toronto 1973). C. Schneider, Information und Absicht bei Thukydides. Untersuchungen zur Motivation des Handelns (Göttingen 1974). D. Proctor, The Experience of T. (Warminster 1980). M. Cogan, The Human Thing. The speeches and principles of Thucydides' History (Chicago/London 1981). H.R. Rawlings, The Structure of Thucydides' History (Princeton 1981). V. J. Hunter, Past and Process in Herodotus and T. (ib. 1982). [Verdin]


Lijst van Namen