Aristotelisme

De invloed die van Aristoteles' denken is uitgegaan betrof allereerst de school die de meester had gesticht, de peripatetische school. Hierbij valt echter op te merken dat de vertegenwoordigers van deze school weinig trouw gebleven zijn aan de geest van Aristoteles' wijsbegeerte; zij hebben zich over het algemeen van elke metafysische bezinning afgewend en hielden zich bezig met meer positief gericht onderzoek: natuurwetenschappen, historische onderzoekingen vooral met betrekking tot de literatuur, populaire beschouwingen van ethische aard en dergelijke. Veelal maakt men onderscheid tussen de oudere peripatetici, de onmiddellijke opvolgers van Aristoteles, en de latere, uit de hellenistische periode.

De voornaamste vertegenwoordiger van de oudere school is ongetwijfeld Theophrastus, de onmiddellijke opvolger van Aristoteles als leider (322-ca. 286) van het Lyceum: we bezitten van hem een kort metafysisch tractaat, een soort inleiding tot een vollediger uiteenzetting; voor het overige heeft hij zich vooral bezig gehouden met de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de filosofie; zijn geschrift Φυσικῶν δόξαι staat aan de oorsprong van geheel de doxografie der griekse wijsbegeerte. Eudemus van Rhodus beoefende de geschiedenis van de wiskunde en de astronomie en schonk ook aandacht aan vraagstukken uit de logica; Aristoxenus van Tarente ontwierp een muziekleer, terwijl Dicaearchus de culturele geschiedenis van Griekenland bestudeerde en Demetrius van Phalerum zich vooral aan de politiek wijdde.

Onder de latere peripatetici verdient allereerst Strato van Lampsacus vermelding, opvolger van Theophrastus als leider van het Lyceum (ca. 286-ca. 268), die zich hoofdzakelijk interesseerde voor de studie van de natuurfilosofie en daarbij een uitgesproken materialistisch standpunt innam; verder Aristarchus van Samos, Lyco van Troas (schoolhoofd van ca. 268-ca. 225), Hieronymus van Rhodus, Aristo van Ceos (opvolger van Lyco) en Hermippus van Smyrna.

Tijdens het tweede deel van de hellenistische periode hielden de peripatetici zich meer rechtstreeks bezig met de uitgave en de interpretatie van de door hun meester geschreven werken. Een uitgave van het Corpus Aristotelicum werd verzorgd door Andronicus van Rhodus (1e eeuw vC), die de geschriften van de Stagiriet verzamelde, ordende en verklaarde en aldus de latere onderzoekingen mogelijk heeft gemaakt.

De voornaamste commentator van A. uit de Oudheid is Alexander van Aphrodisias (ca. 200 nC); zijn werken zijn nog steeds belangrijk voor het begrijpen en interpreteren van Aristoteles' systeem; ze bevatten bovendien kostbare fragmenten van verloren jeugdwerken van de Stagiriet. Tot dezelfde tijd behoort Aspasius met zijn belangrijke commentaar op de Ethica Nicomachea.

Het a. van deze eeuwen is niet zonder meer een voortzetting van de oorspronkelijke gedachten van de meester; vele elementen ontleend aan stoïcisme en platonisme waren met dit denken versmolten (vgl. Περὶ κόσμου, Het heelal, een tractaat uit de 1e eeuw vC, dat in het Corpus Aristotelicum is opgenomen).

In de 3e en 4e eeuw nC legde Porphyrius zich in het bijzonder toe op de studie van de logische werken van Aristoteles, terwijl Themistius door zijn parafrasen grote invloed heeft uitgeoefend op de middeleeuwse wijsbegeerte, vooral door zijn parafrase van het tractaat Περὶ ψυχῆς.

Tenslotte dienen vermeld te worden de commentatoren uit de laat-antieke filosofische scholen van Athene en Alexandrië. Tot de school van Athene behoren Syrianus en vooral Simplicius met zijn commentaren op Κατηγορίαι, Φυσικά, Περὶ ουρανοῦ en Περὶ ψυχῆς; Simplicius is ervan overtuigd dat er een fundamentele overeenstemming bestaat tussen de wijsbegeerte van Plato en die van Aristoteles. Vertegenwoordigers van de school van Alexandrië zijn Ammonius, Joannes Philoponus, die als christen bekend staat, Asclepius, Olympiodorus, Elias en Stephanus van Alexandrië.

Naast de auteurs die onmiddellijk bij Aristoteles aansluiten, hetzij als leden van de peripatetische school, hetzij omdat zij zich bezig hielden met de uitgave en interpretatie van zijn werken, is er als het ware een universele beïnvloeding van de latere wijsgerige systemen door het a. Dit geldt niet alleen voor stoïcijnen als Cleanthes, Posidonius en Panaetius, maar ook voor de vertegenwoordigers van het neoplatonisme. Al deze wijsgeren hebben in zekere mate de invloed van Aristoteles ondergaan, zelfs al bestrijden ze hem.

Tijdens de middeleeuwen werden de werken van Aristoteles achtereenvolgens in het latijn vertaald en drongen aldus door in de westerse wereld. In de vroege middeleeuwen was de activiteit van Boëthius beslissend; bijna alle logische werken van Aristoteles werden door hem vertaald en becommentarieerd (Categoriae, De interpretatione, Analytica, Topica; slechts de beide eerste zijn bewaard gebleven). In de 12e eeuw vertaalde Gerardus van Cremona verschillende tractaten over natuurfilosofie uit het arabisch in het latijn (Physica, De generatione et corruptione, De caelo, Meteorologica 1-3). Uit dezelfde tijd stammen ook enkele latijnse vertalingen uit het grieks: Henricus Aristippus vertaalde het 4e boek van de Meteorologica evenals De generatione et corruptione, een onbekende auteur de Physica, De anima en de Parva naturalia. Daarbij komen dan nog de Metaphysica vetustissima (1-4), vertaald door Jacobus van Venetië, de Metaphysica media (alle boeken behalve 11) en de Ethica vetus (2-3). Zo was de toestand bij het begin van de 13e eeuw. Alvorens in het Westen door te dringen had de Aristotelische filosofie zich reeds verbreid in de arabische wereld; deze was met het griekse denken in contact gekomen sedert de verovering van Syrië in de 7e eeuw; daar immers hadden de wijsgeren van Athene zich gevestigd na het sluiten van hun school in 529. Onder de vertegenwoordigers van het arabische a. dienen vooral vermeld te worden Alkindi (gest. 873), Alfarabi (gest. 950), Avicenna (980-1037) en Averroës (1126-1198). Aan dezen kan men de naam toevoegen van Maimonides (1135-1204), een in Spanje wonende jood die getracht heeft de Aristotelische wijsbegeerte te verzoenen met de joodse godsdienst. Ook de arabische commentaren op Aristoteles bleven niet onbekend in het Westen; zowel Avicenna als Averroës werden in het latijn vertaald.

In de 13e eeuw werd in Westeuropa een volledige latijnse vertaling vervaardigd van de Ethica Nicomachea door Robertus Grosseteste (1170-1253). Ook Willem van Moerbeke (gest. ca. 1285) heeft verschillende tractaten van Aristoteles volledig vertaald (Poëtica, Rhetorica, De animalibus, De caelo 3-4, Meteorologica 1-3, Politica 3-8, Metaphysica 11); bovendien werden verschillende reeds bestaande vertalingen door hem herzien en zette hij een reeks griekse commentaren in het latijn over. Via deze vertalingen is de Aristotelische wijsbegeerte tot de universiteiten van het Westen doorgedrongen, waar de meest eminente magistri ernaar streefden deze filosofie te verzoenen met hun christelijke geloofsovertuiging. Dit gaf aanleiding tot allerlei moeilijkheden en spanningen binnen het kader der universiteiten en tot veroordelingen door de kerkelijke overheid. Verschillende leerstellingen van het Aristotelische systeem waren inderdaad niet te verzoenen met een christelijke levensvisie, zoals de loochening van de goddelijke voorzienigheid, de eeuwigheid van de wereld, de uniciteit van het actief intellect, de negatie van het voortbestaan der ziel na de dood. Enkele geniale denkers, onder wie vooral Thomas van Aquino, hebben het a. als het ware herdacht, gecorrigeerd en aangevuld en gebruikten deze filosofie bij de systematische uitbouw van de christelijke leer tot een alomvattende theologische synthese.


Lit. Belangrijkste uitgaven: Commentaria in Aristotelem Graeca, edita consilio et auctoritate Academiae Litterarum Regiae Borussicae 1-23 (Berlin 1882-1909). Supplementum Aristotelicum, editum consilio et auctoritate Academiae Litterarum Regiae Borussicae 1-3 (Berlin 1885-1903). Aristoteles Latinus, Acaderniarum Consociatarum auspiciis et consilio editus (Rome 1939vv). Corpus Latinum Commentariorum in Aristotelem Graecorum, edidit G. Verbeke (vol. I, Louvain-Paris 1957). F. Wehrli, Die Schule des Aristoteles, Texte und Kommentar, 1-10 (Basel 1944-1959). A. Jourdain, Recherches critiques sur Päge et l'origine des traductions latines d'Aristote (Paris 1843). M. Grabmann, Forschungen über die lateinischen Aristoteles-übersetzungen des XIII. Jahrhunderts (1916). S. D. Wingate, The Mediaeval Latin Versions of the Aristotelian Scientific Corpus with Special Reference to the Biological Works (London 1931). P. Moraux, Alexandre d'Aphrodise exégète de la noétique d'Aristote (Paris 1942). R. Walzer, New Light on the Arabic Translations of Aristotle (Oriens 6, 1953, 91-142). E. Barbotin, La doctrine aristotélicienne de Fintellect d'après Théophraste (Louvain-Paris 1954). F. van Steenbergen, Aristotle in the West. The Origins of Latin Aristotelianism (Louvain 1955). J. Moreau, Aristote et son école (Paris 1962). P. Moraux, Der Aristotelismus bei den Griechen 1-3 (Berlin/New York 1973vv). [Verbeke]


Lijst van Namen