Stoa

Stoa of stoïcisme, wijsgerige school en stroming die van ca. 300 vC tot ca. 200 nC grote invloed heeft uitgeoefend in de gehele griekse en, sinds ca. 150 vC, de romeinse wereld.

(I) Geschiedenis. De ontwikkeling van de s. verloopt in drie perioden, de oude, de midden- en de nieuwe s.

1. De oude stoa (ca. 300 - ca. 150 vC). De stichter van de s. was Zeno van Citium op Cyprus (333-262). Toen in 307/306 Epicurus zijn school naar Athene verplaatste, begon Zeno, die te Athene lessen had gevolgd van de cynicus Crates, de Megaricus Stilpo en anderen, zelf wijsbegeerte te onderwijzen, vermoedelijk uit reactie tegen het hedonisme van Epicurus. Daar hij als vreemdeling in Athene geen eigen lokaal kon bezitten, hield hij zijn voordrachten in de z.g. Στοὰ ποικίλη, de befaamde door Polygnotus met schilderingen verfraaide Bonte stoa. Daaraan ontleende zijn school haar naam. Zeno had talrijke aanhangers, genoot om zijn strenge levenswandel groot aanzien en werd bij zijn dood met een eredecreet van de atheense volksvergadering en een begrafenis op staatskosten onderscheiden. Zijn opvolger als schoolhoofd, Cleanthes van Assus (ca. 310-233/232), was een diep religieus man en een vruchtbaar schrijver, maar met weinig oorspronkelijkheid.

De derde scholarch, Chrysippus van Soli in Cilicië (ca. 280 - ca. 205), gold later als de tweede stichter van de school. Hij werkte de leer van Zeno verder uit en publiceerde niet minder dan 705 boekrollen. Het is moeilijk uit te maken wat in de leer van de s. aan Zeno en wat aan Chrysippus moet worden toegeschreven, te meer omdat van beider geschriften slechts fragmenten over zijn. Na Chrysippus' dood werd het rigorisme van de oude s. zwakker. De scholarchen Zeno van Tarsus, Diogenes van Babylon en Antipater van Tarsus worden ook wel als vroege middenstoici aangeduid.

2. De midden-stoa (ca. 150 vC - begin 1e eeuw nC) zocht de inspiratie van de oude s. te verbinden met de humanistische en wetenschappelijke idealen van het hellenisme. Zij distancieerde zich van de levensvreemde paradoxen van de school en zocht aansluiting bij Socrates en bij Plato. Zij toonde meer belangstelling voor de vele καθήκοντα, 'taken' (latijn officia; hieruit is het begrip 'plicht' ontstaan) die de mens in de maatschappij te vervullen heeft. De voornaamste vertegenwoordigers van de midden-stoa zijn Panaetius en Posidonius. Ook van hun werken bezitten we alleen fragmenten. In het midden van de 1e eeuw vC had Athene zijn betekenis als middelpunt van het stoïsche denken verloren; het centrum had zich verplaatst naar Rhodus. Na het begin van de christelijke jaartelling kan van een stoïsche school eigenlijk niet meer gesproken worden.

3. De nieuwe stoa wordt gedomineerd door drie filosofen, Seneca filius (gest. 65), Epictetus (ca. 50-138) en Marcus Aurelius (121-180), van wie de literaire nalatenschap grotendeels bewaard is gebleven. Aan deze namen kunnen nog worden toegevoegd die van Cornutus, een vrijgelatene van Seneca, en van Musonius Rufus, de leermeester van Epictetus. Het stoïcisme van de keizertijd is met zijn realisme, zijn zin voor maatschappelijke verantwoordelijkheid en zgn vastberadenheid in hoge mate romeins, ai bedienen een aantal auteurs zich van de griekse taal. Bij de stoici van deze periode gaat de aandacht vooral uit naar de ethische en religieuse aspecten van de leer, en nauwelijks nog naar de natuurfilosofische en logische theorieën van de oude s.

(II) Leer. De stoici onderscheiden drie nauw samenhangende delen in de filosofie: τὸ λογικόν (logica en kennisleer), τὸ φυσικόν (zijnsleer, fysica en theologie) en τὸ ἠθικόν (ethica). Τὸ λογικόν beschermt de beide andere delen, terwijl τὸ ἠθικόν de vrucht is van τὸ λογικόν en τὸ φυσικόν.

1. Wat de kennisleer en de logica betreft zijn de stoici uitgesproken sensualisten en empiristen. Bij de geboorte is de menselijke geest als een onbeschreven schrijftafeltje, waarin de zintuiglijke waarneming vervolgens indrukken prent. Is een dergelijke indruk scherp en wordt hij door andere bevestigd, dan verleent de rede haar instemming (συκατάθεσις) en komt de 'vastgrijpende', klaarblijkelijkheid bezittende voorstelling (φαντασία καταληπτική) tot stand, die volwaardige kennis (ἐπιστήμη) inhoudt, maar een voorstelling blijft en geen universeel begrip wordt. De door een verstandelijke, dialectische activiteit verworven kennis vindt het criterium van haar waarheid in een aangeboren aanleg van ons kenvermogen tot het bereiken van het ware (πρόληψις).

2. De zijnsleer van de s. kan als een dynamisch realisme gekarakteriseerd worden. Al wat reëel is, is lichaam, ook en a fortiori God, de ziel, de deugd. Het lichamelijke heeft echter twee verschijningsvormen: de ongekwalificeerde stof, die louter passief is, en het actieve beginsel, een de gs hele materie doordringende vormbepalende en beschikkende kracht, die namen draagt als Λόγος (Rede), Πῦρ (Vuur) en Πνεῦμα (Adem). Als kosmische kracht is dit beginsel een eeuwige bron van leven, schoonheid en harmonie, namelijk God zelf; omdat hij alles naar het goede richt, heet hij Voorzienigheid (Πρόνοια), omdat hij een immanente en onontkoombare wet is, waaraan niets zich kan onttrekken, heet hij ook Noodlot (Εἱμαρμένη). Het universum is een levend wezen, waarin alles oorzakelijk met elkaar verbonden is. De goddelijke universele Λόγος is als individuele Λόγος σπερματικός (scheppende Rede) ook in ieder individueel ding of wezen aanwezig.

Het kosmische leven voltrekt zich in perioden, met dien verstande dat het vuur aan het einde van een tijdperk alles vernietigt (ἐκπύρωσις), vervolgens vrijwel uitdooft en zich omzet in vocht, waarna de resterende sporen van het Oervuur het kringloopproces opnieuw op gang brengen (παλιγγενεσία):

uit de vier kosmisch elementen vuur, lucht, water en aarde (Empedocles), die slechts gradueel verschillende manifestaties en evolutiefasen zijn van het ene oerbeginsel, worden door de werking van het als wetmatigheid, voorzienigheid of God gedachte oerbeginsel de talloze individuele wezens samengesteld.

3. Uit de stoïsche fysica volgt een ethiek van de inwendige instemming. Wat geschieden moet, zal in elk geval geschieden. Het is echter de mens mogelijk - en hierin bestaat zowel zijn volmaaktheid als zijn geluk - door zijn redelijk inzicht in te stemmen met de goddelijke Rede in plaats van onder invloed van irrationele affecten (genot, pijn, vrees, toorn, hebzucht enz.) vruchteloze pogingen aan te wenden om tegen de wet van de natuur in te gaan. Wanneer hij de goddelijke orde van de wereld aanvaardt, is de mens volkomen vrij en autarkisch en kunnen uitwendige slagen hem niet treffen: ἀπάθεια.

Omdat alles wat bestaat door de goddelijke Adem samengehouden wordt, zijn de delen van het universum met elkaar verbonden door de kosmische συμπάθεια. De mens is op zijn medemensen aangewezen en kan alleen in samenwerking met hen tot volle ontplooiing komen; de stoïcijn weet zich een wereldburger.

De leer van de s. bevat een aantal paradoxen, o.m. dat het vreselijkste lijden geen afbreuk doet aan het geluk van de wijze; dat er in deugd en ondeugd geen gradaties zijn, zodat men ofwel een volmaakte wijze ofwel een voasiagen dwaas is; dat alle fouten even erg zijn; enz.

(III) Invloed. De zojuist vermelde paradoxen hebben enige tijd de verspreiding van het stoïcisme geremd, maar sinds Panaetius ze opgegeven of verzacht had, groeide de invloed van de school sterk. Filosofen van andere richtingen werden door de s. beïnvloed, vooral op het gebied van de algemene en van de toegepaste ethiek; dit was ook het geval bij denkers die het stoïsche materialisme en empirisme scherp aanvielen, zoals Plutarchus en Plotinus. In de 2e en 1e eeuw vC omringden sommige hellenistische vorsten zich met filosofen van de s. als adviseurs.

Te Rome deed het stoïcisme zijn intrede met Panaetius, de vriend van Scipio minor. In de filosofische werken van de eclecticus Cicero overheersen de stoïsche elementen. Bij vele andere griekse en romeinse wetenschapsbeoefenaars en literatoren is invloed van de s. in meerdere of mindere mate te bespeuren: bij Varro, Strabo: en Galenus, maar ook bij de dichters Horatius, Manilius, Lucanus, Persius en Juvenalis. De sociale hervormer Tiberius Gracchus, de onverzoenlijke republikeinen Cato minor en Brutus waren aanhangers van de s. Edele mannen als Helvidius Priscus en Iunius Rusticus putten uit hun stoïsche overtuiging de moed om onder de tirannie van een Nero en een Domitianus, te midden van de algemene kruiperigheid, hun waardigheid te bewaren.

Indrukwekkend is Tacitus' verhaal van het proces van Thrasea Paetus (Annales 16, 21-35).

Hoewel de christelijke auteurs veel meer aan Plato ontleend hebben, is bij hen meermalen ook stoïsche invloed merkbaar, vooral in zedenkundige analyses (dat is al in de brieven van Paulus het geval), maar incidenteel ook op andere gebieden. In zijn werk De officiis gebruikt Ambrosius de gelijknamige verhandeling van Cicero. Boethius' Consolatio philosophiae zet een traditie voort die in de s. zeer levendig was geweest.

In de westerse middeleeuwen werden niet alleen Boethius, maar ook Cicero en Seneca ijverig bestudeerd. Zo is de aristoteliserende moraal van de grote leraren der 13e eeuw, zoals Thomas van Aquino, met belangrijke stoïsche begrippen verrijkt. Renaissance en humanisme verhoogden nog het prestige van Cicero en Seneca. De denkbeelden van de s. werkten ook via de tragedies van laatstgenoemde, die het model werden voor het klassieke drama van de 17e eeuw; hier ligt de bron van de moraliserende conceptie van het toneel, die nadrukkelijk tot uiting komt in de theoretische geschriften van Heinsius en Vossius, en in de Préfaces tot de tragedies van Corneille. Na een duidelijke opbloei ten tijde van de franse revolutie verloor het stoïcisme met de opkomst van de romantiek zijn betekenis en werfkracht als zelfstandige denkrichting.


Lit. Diogenes Laërtius, boek 7. - Fragmenten van de filosofen van de oude s. In I. ab Arnim, Stoicorum veterum fragmenta 14 (Leipzig 1903-1924 = Stuttgart 1964). N. Festa, I frammenti degli stoici antichi (Bari 1932-1935 = Hildesheim 1971). - Inleidingen met bloemlezingen: M. Pohlenz, Stoa und Stoiker 1. Die Gründer, Panaitios Poseidonios (Zürich 1950; teksten in duitse vertaling). C. J. de Vogel, Greek Philosophy 3 (Leiden 1959, ²1964; griekse en latiinse teksten met toelichting) 44-183, 231-274, 284-317, 328-339. É. Bréhier/P. Schuhl, Les stoïciens. Textes traduits (Bibliothèque de la Pléiade, Paris 1962). M. van Straaten, K.erngedachten van de S. (Roermond 1966; met beknopte bloemlezing in nederlandse vertaling). Monografieën: E. Bevan, Stoics and Sceptics (Oxford 1913 = Cambridge 1959). K. de Jong, De S., een wereldphilosophie (Amsterdam 1937). M. Pohlenz, Die S. Geschichte einer geistigen Bewegung 1-2 (Göttingen 1948, 1978-1980). B. Mates, Stoic Logic Berkeley/Los Angeles 1953, 1961). M. Spanneut, Le stoïcisme chez les Pères de l'Église (Paris 1957). S. Sambursky, The Physics of the Stoics (London 1959 = Westport 1973). L. Edelstein, The Meaning of Stoicism (Cambridge Mass. 1966). A. Bridoux. Le stoicisme et son influence (Paris 1966). J. M. Rist, Stoic Philosophy (Cambridge 1969). R. Hoven, Stoïcisme et stoïciens face au problème de l'au-dela (Paris 1971). M. Spanneut, Permanence du stoïcisme. De Zénon à Malraux (Gembloux 1973). Zie voorts de literatuuropgaven bij de trefwoorden waarnaar in de tekst verwezen wordt. [De Strycker/Nuchelmans]


Lijst van Namen