Chubur

Chubur, in de babylonische mythologie de naam van de in het uiterste westen gelegen onderwereldrivier, die de grens vormt tussen het rijk der levenden en der doden. Iedere dode moest de C. oversteken, waarbij hij werd overgezet door Humuttabal ('Neem ijlings mee'), de veerman van de onderwereld.

Het oversteken van de C. wordt een omschrijving van de dood en o.a. gebruikt in de z.g. babylonische Theodicee (ANET 439a II, 4-5: 'onze vaderen hebben het opgegeven, zij gaan de weg des doods; het is een oud gezegde: 'gij moet de Chubur oversteken''). In het leven behouden is gelijk aan redden uit de C., vgl. ANET 437a IV, 7. De miniatuur-bootjes, welke men soms in oudmesopotamische graven aantreft, kunnen zeer goed bedoeld zijn om de overtocht van de C. te vergemakkelijken.

Boten spelen, met hetzelfde doel ook een rol in bezweringen tegen verschillende demonen (o.a. Lamastu) en worden afgebeeld op amuletten, omdat men hen met behulp daarvan naar de onderwereld wil verbannen. De naam C. wordt ook gebruikt als naam voor de onderwereld zelf, en als benaming van de rivier waarin het waterordaal plaats vond. Dit laatste hangt wel samen met de voorstelling dat de dode bij de C. reeds een eerste fase van het dodengericht moest ondergaan. Naast de voorstelling van de 'doodsrivier' treft men ook andere voorstellingen aan omtrent de toegang tot de onderwereld.


Lit. Meissner 2, 143v. K. Tallquist, Sumerisch-akkadische Namen der Totenwelt (Studia Orientalia 5, 4, Helsinki 1934) 33v. F. Thureau-Dangiin (Rev. Ass. 18, 1921, 186-188 en noot 4). CAD 6, s.v. hubur (p. 219). [Veenhof]


Lijst van Goden