Caecilius


munt
Zilveren denarius v.Lucius Caecilius Metellus (89 vC)
Apollo met tekst L.METEL.A.ALB.S.F.;
Roma zittend op schilden, met Victoria met
tekst C.MAL.ROMA
Caecilius naam van een romeinse plebejische gens, waarvan vele leden bekend zijn vanaf de 5e eeuw vC. Tot de gens Caecilia behoorde de beroemde familie der Metelli (Metellus). Van de overige Caecilii verdienen vermelding (zie ook s.v. Caecilia):

(1) Caecilius Statius, romeinse auteur van fabulae palliatae uit de eerste helft van de 2e eeuw vC, gestorven in 168 vC. Van afkomst een Insubriër uit Noord-ltalië, kwam C. als slaaf naar Rome, maar werd daar vrijgelaten. Na aanvankelijke tegenslagen kreeg hij de steun van de acteur en regisseur Ambivius Turpio en volgde Plautus op als de belangrijkste blijspeldichter van Rome. Van zijn oeuvre, dat vooral op de griekse comicus Menander geïnspireerd was en als de schakel tussen het werk van Plautus en dat van Terentius besehouwd kan worden, zijn 42 titels en bijna 300 versregels bekend; de drie langste fragmenten, 30 regels in totaal, zijn samen met het griekse origineel van Menander bewaard gebleven in Aulus Gellius' Noctes Atticae (2,23) en komen uit het blijspel Plocium (Het halssnoer). Gellius laakt Caecilius' zucht naar goedkoop effect; Cicero acht zijn taal, die rijk is aan originele vondsten, bedenkelijk. Volcacius Sedigitus is van mening dat C. alle andere dichters van palliatae in dramatische kracht overtreft; ook andere antieke critici spreken een gunstig oordeel uit. Dit wordt door de fragmenten eerder bevestigd dan weersproken.


Lit. Uitgave der fragmenten bij O. Ribbeck, Comicorum Romanorum Fragmenta (Leipzig 1898) en A. Traina, Comoedia (Padua 1960); met engelse vertaling bij E. H. Warmington, Remains of Old Latin 1 (Loeb Class. Libr., London 1935). - F. Skutsch (PRE 3, 1189-1192). - F. Leo, Geschichte der römischen Literatur 1 (Berlin 1913) 217-226. H. Oppermann, Zur Entwicklung der Fabula palliata (Hermes 1939, 1 1 3-1 29).


(2) Caecilius van Caleacte, griekse retor en literair criticus van joodse afkomst, die leefde in de tijd van keizer Augustus. Hij was bevriend met Dionysius van Halicarnassus, met wie hij in Rome de voornaamste representant van het atticisme was. Van zijn vele werken - o.a. een Τέχνη, (Handboek der welsprekendheid), Περὶ σχημάτων (De stijlfiguren), Περὶ τοῦ χαρακτηρος τῶν δέκα ῥητόρων (De eigen aard der tien redenaars) en Περὶ ὕψους (Verhevenheid van stijl; pseudo-Longinus) - zijn slechts fragmenten bewaard gebleven. C. vertegenwoordigde een extreem atticisme, dat naar pedanterie neigde; zijn stijl-ideaal was Lysias. Het is mogelijk dat hij de canon van de tien grote attische redenaars heeft opgesteld.


Lit. Uitgave der fragmenten: E. Ofenloch, Caecilii Calactini fragmenta (Leipzig 1907). - J. Brzoska (PRE 3, 1174-1188). Schürer 3, 629.


(3) Sextus Caecilius Africanus, romeinse rechtsgeleerde uit het midden van de 2e eeuw nC, leerling van de grote jurist Salvius Julianus. In zijn - grotendeels verloren gegane - hoofdwerk, Quaestiones getiteld, publiceerde C. in negen boeken de juridische opvattingen en sententies van zijn leermeester. [Nuchelmans]



Lijst van Auteurs