Catullus

Catullus, beroemde romeinse dichter uit de 1e eeuw vC. Caius Valerius Catullus en Lucretius zijn voor ons de beide representanten van de poëzie in de tijd van Cicero. Maar hun namen zijn verbonden met geheel verschillende dichterlijke tradities, die pas in het werk van Vergilius zouden samenvloeien.

In zijn elegie op de dood van Tibullus (19 vC) zegt Ovidius obvius huic venias hedera iuvenilia cinctus tempora cum Calvo, docte Catulle, ruo (Amores 3,9,61). In deze enige vermelding van C. in de 1e eeuw vC verschijnt hij als een jonggestorvene, als boezemvriend van de redenaar-dichter C. Licinius Calvus (zie o.a. carmen 50) en als poeta doctus, d.w.z. bentgenoot van de zich op de alexandrijnse poëzie inspirerende poetae novi, door Cicero enigszins spottend aangeduid als νεώτεροι en cantores Euphorionis (Epistula ad Atticum 7,2,1; Tusculanae Disputationes 3,45).

(I) Leven. Uit Hieronymus' Chronica vernemen wij, dat C. in 87 vC te Verona geboren werd en in 57 vC op 30-jarige leeftijd stierf. Dit laatste jaartal kan niet juist zijn, omdat wij in de gedichten van C toespelingen vinden op gebeurtenissen in 55 vC (c. 11,12; 29,20; 45,22; 55,6; 113). Hij is dus of ouder geworden, of later geboren. Merkwaardig is dat Cicero hem nergens vermeldt (C. richt tot Cicero c. 49, vol overdreven eerbetoon), hoewel beider in Calvus en in Clodia gemeenschappelijke relaties gehad hebben. Apuleius vertelt ons in zijn Apologie (10) dat Lesbia, de naam van C.''fatale vrouw', een pseudoniem is van Clodia, zuster van Cicero's doodsvijand, de volkstribuun Clodius. Deze had drie zusters, van wie Clodia de vrouw van Q. Metellus (consul 60 vC) de meest waarschijnlijke candidate is.

Voor het overige zijn wij voor de kennis van C. aangewezen op zijn eigen werken.

tekst

(II) Werken. De 116 gedichten van C. die wij bezit ten vallen in drie groepen uiteen:

De carmina 1-60 zijn lyrische gedichten, in omvang variërend van 4 tot 34 verzen. Veertig hiervan zijn geschreven in het phalaeceïsche metrum; C zelf noemt het hendecasyllabum. Van de overige gedichten zijn er acht in choliamben, twee in sapphische strophen gecomponeerd, c. 11 en c. 51: naar het schijnt opzettelijk, aangezien c. 51 het 'sleutelgedicht' van de Lesbia-gedichten is - het is een latijnse bewerking van Sappho's beroemde Φαίνεται μοι κῆνος ἴσος θέοισιν (Ille mi par esse deo videtur) - terwijl de Lesbia-cyclus chronologisch wordt afgesloten met het aangrijpende afscheidsgedicht c. 11 (Furi et Aureli, comites Catulli). De term 'Lesbia-cyclus' is eigenlijk misleidend. Weliswaar worden in de talrijke Lesbia-gedichten alle fasen en aspecten van C.' verhouding tot Lesbia verdicht, maar van een chronologische of andere orde is geen sprake. Bovendien worden de Lesbiagedichten afgewisseld door verzen van geheel andere aard; anderzijds speelt Lesbia in de derde groep gedichten ook weer een belangrijke rol. De carmina 61-68 vormen een tweede groep, die niet alleen door een aanzienlijk grotere lengte der gedichten (24-408 verzen) wordt gekenmerkt, maar ook door een opvallend verschil in sfeer en poëtische techniek. Deze gedichten zijn veel 'kunstiger' dan die van de eerste groep. Verscheidene zijn duidelijk geïnspireerd door hellenistische, alexandrijnse voorbeelden, vooral door Callimachus, de poeta doctus bij uitstek van het alexandrinisme. Het langste gedicht, c. 64 (in hexameters geschreven), heeft een duidelijk epyllion-karakter: het is een echt miniatuur-epos in het genre dat door de Alexandrijnen en de romeinse poetae novi met voorliefde werd beoefend. Zoals Calvus een Io, Cinna een Zmyrna, Valerius Cato een Diana schreef, zo schrijft C. hier een epyllion over de bruiloft van Peleus en Thetis. De compositie is van een typische eigenaardigheid: in de raamvertelling is een thematisch niet of nauwelijks ermee verbonden geschiedenis van Ariadne's ongelukkige verlating door Theseus geschoven, die geïntroduceerd wordt als een geborduurde afbeelding op het kleed waarop Thetis gezeten is; deze episode neemt meer dan de helft van het gehele gedicht in beslag. Alexandrijnse gekunsteldheid vertoont ook de compositie van c. 68a (in elegische disticha), dat uit tweemaal vier episodes bestaat, die symmetrisch rondom een middenstuk zijn gegroepeerd. C. 61 en 62 zijn bruiloftsliederen; c. 63 is een naar metrum (galliamben) en inhoud (de trieste historie van een ontmande Attis-priester) zeer merkwaardig gedicht, waarschijnlijk een bewerking van een gedicht van Callimachus van Cyrene; c. 66 (elegische disticha) wordt in c. 65 aangekondigd als een vertaling van Callimachus' gedicht 'Het hoofdhaar van Berenice'.

De carmina 69-116 hebben een gemeenschappelijk metrum, het elegisch distichon, en variëren in lengte van twee (o.a. het beroemde Odi et amo, c. 85) tot 26 verzen. Vele hebben het karakter van een epigram en zijn nagevolgd door Martialis. Andere zijn meer elegisch en vormen een voorstadium van de augusteïsche elegie van Tibullus, Propertius en Ovidius. Vaak zijn zij naar sfeer en inhoud nauwelijks te onderscheiden van de lyrische eerste groep; zij zijn weer veelal tot Lesbia, tot andere vrouwen, tot de geliefde knaap Iuventius of tot vrienden gericht.

Interessant zijn die gedichten in de eerste en de derde groep die een litterair-kritisch karakter dragen: 14, 22, 44 en 95. Hierin leren we C. kennen als een vurig en fel pleitbezorger van zijn dichterbent, met zijn hoge idealen van poëtische volmaaktheid, slechts te benaderen door het handwerk met de grootste toewijding en zelfopoffering te beoefenen: voor de poetae novi is het spel der poëzie heilige ernst, zij tonen duidelijk hun afkeer van de veelschrijvende poëtasters en amateurs, die Rome tot nu toe vooral had opgeleverd.

De moderne wetenschap wordt door het oeuvre van C. voor vele onopgeloste problemen gesteld. Wat is de relatie tussen de vurige, heftige en vaak improvisatorische korte gedichten (groep 1 en 3) met hun sterk individualistisch karakter, en de bewerkelijke, nogal onpersoonlijke lange gedichten van groep 2. Voor de moderne lezer zijn de korte gedichten de aantrekkelijkste, maar het lijkt erop dat zij voor C. en zijn groep slechts de parerga van het 'grote' oeuvre waren. Onbekend is voorts hoe de overgeleverde collectie tot stand is gekomen. Het eerste gedicht draagt de 'libellus' op aan de brave Cornelius Nepos, een weinig passend dichterpatroon voor een poeta novus, terwijl libellus een term is die niet strookt met de gehele collectie 1-116, die zelfs veel te omvangrijk is voor een forse liber. Het lijkt waarschijnlijk dat wij een latere bloemlezing uit, of verzameling van meer libelli voor ons hebben. Onze handschriften, ca. 120 in getal, waarvan een Sangermanensis (thans codex Parisinus latinus 14137) en een Oxoniensis (Bodleianus Canonicus class. lat. 30) de belangrijkste zijn, gaan terug op een in het begin van de 14e eeuw te Verona ontdekte, maar sindsdien verloren gegane codex.

Voor ons is C. dus in de eerste plaats lyricus, en als zodanig de enige in de latijnse literatuur naast de zo anders geaarde, intellectualistische en 'objectieve' Horatius, die hem overigens op pijnlijke wijze negeert. Voorts is C. de voorloper van de augusteïsche elegie en van de epigrammen van Martialis.

Sinds de renaissance heeft hij altijd een trouwe en verknochte lezersschare gehad; in onze tijd, die in C. iets van de 'angry young man' herkent, is deze schare eerder groter dan kleiner geworden. Vermelding verdient tenslotte de moderne toonzetting van zijn gedichten door Carl Orff (Catulli carmina 1943. Trionfo di Afrodite 1953).


Lit. (zie ook Lampadion 4, 1963-1964, 18-24, 47-60; 5, 1964-1965, 3248). Uitgaven: Editio princeps: Venetië 1472. Beste moderne edities: M. Schuster/W. Eisenhut, Catulli Veronensis liber² (Leipzig 1954=1958). R. A. B. Mynors, Catullus, Carmina² (Oxford 1960). W. Eisenhut, Catulli Veronensis liber (Leipzig 1983. Met engelse vertaling: F. W. Cornish, C. (Loeb Class. Libr., London 1913). Met duitse vertaling: W. Eisenhut, Catull: Carminas (München 1960). Franse vertaling: A. Ernout, Catulle, Poésies (Paris 1960). Nederlandse vertaling: A. Rutgers van der Loeff ('s-Gravenhage 1937). Beste commentaren: W. Kroll, C. Valerius C.4 (Stuttgart 1960) en C. J. Fordyce, C., A Commentary (Oxford 1961; met weglating van 25 obsceen geachte gedichten). - M. Schuster (PRE 7 A, 2353-2410). - A. L. Wheeler, C. and the Traditions of Ancient Poetry (Berkeley 1934). E. A. Havelock, The Lyric Genius of C. (Oxford 1939). F. Klingner, Catulls Peleus-Epos (München 1956; over c. 64). K. Quinn, The Catullan Revolution (Carlton, Melbourne Univ. Press, 1959; bijzonder aantrekkelijk). - H. Heusch, Das Archaische in der Sprache Catulls (Bonn 1954). J. Svennung, Catulls Bildersprache (Uppsala Universitets Arsskrift 1945, 3). - K. P. Harrington, C. and his Influence (Boston 1923). E. Duckett, C. in English Poetry (Northampton 1925). J. McPeek, C. in Strange and Distant Britain (Cambridge Mass. 1939). J. W. Loomis, Studies in Catullan Verse. An analysis of word types and patterns in the polymetra (Leiden 1972). V.P. McCarren ed., A Critical Concordance to C. (ib. 1977). B. Arkins, Sexuality in C. (Hildesheim/Zürich/New York 1983). [Leeman]



Lijst van Auteurs