Titus Livius

Titus Livius, niet de grootste maar wel de meest karakteristieke en zeker de meest volumineuze historicus van Rome. Er zijn aanwijzingen dat hij een groot deel van zijn leven (59 vC-17nC; de data zijn niet volkomen zeker) in zijn geboortestad, het materieel en cultureel welvarende Patavium (Padua), heeft doorgebracht, waar hij een retorische en filosofische vorming ontving, die in een aantal verloren gegane werken op deze gebieden resulteerde.

Als wij Asinius Pollio geloven mogen, vertoonde zijn taal zelfs een zekere 'patavinitas'. Hoe dit zij, de stijl van zijn geschiedwerken, waarin hij meer op die van Cicero dan op die van Sallustius voortbouwde, werd door het romeinse nageslacht als van een vloeiende schoonheid en zuiverheid beschouwd, die hem met de griekse voorbeelden Herodotus en Isocrates verbond. Zijn retorische begaafdheid komt hem vooral in de vele ingelaste redevoeringen te stade. Treffend is ook zijn dramatisch vermogen in de karakterisering van zijn personen en in zijn verteltechniek, waardoor hij vooral op de hoogtepunten van zijn verhaal weet te boeien. Wie zich echter moeizaam vertalend ook door entre-acts en dieptepunten heeft moeten heenworstelen, heeft doorgaans een minder gunstig oordeel.

Aan kritiek staat vooral Livius' taakvervulling als historicus bloot. Zijn vasthouden aan een streng chronologisch schema, waardoor de historische samenhang vaak wordt verknipt, gaat echter terug op de manier der annalisten. Zijn 'patriottistische' kleuring der feiten kan beter als een grote bewondering van een Pataviaan voor het fenomeen Rome worden opgevat; uit zijn proloog blijkt bovendien dat hij ernstig verontrust was over het meest recente verleden en ondanks goede relaties met het keizerlijk huis het principaat van Augustus niet als een panacee zag, ja zelfs legde hij sympathie voor Pompeius en de andere verdedigers der republikeinse tradities aan de dag. Wat de oudere tijd betreft werd zijn voorstelling van zaken beïnvloed door het nationale en familiale chauvinisme van zijn bronnen, de oudere en vooral de jongere annalisten. Dat hij teveel op zulke secundaire bronnen steunde en te weinig archivalia e.d. gebruikte, staat waarschijnlijk in verband met het feit dat hij alleen periodiek in Rome vertoefde. Deze zaken doen aanzienlijk afbreuk aan zijn objectieve - niet aan zijn subjectieve - betrouwbaarheid, mede doordat hij vooral blijkens zijn gebruik van de enige voor ons direct controleerbare bron, Polybius - stilistisch zijn mindere, zakelijk veruit zijn meerdere -, de fijne historische neus ontbeerde. In zijn benadering der geschiedenis is hij bovendien naar onze smaak te moralistisch: terwijl wij vooral in de romeinse instituten en sociale machtsverhoudingen zijn geïnteresseerd, is zijn oog vooral op de mores en de exempla van deugd en ondeugd, dapperheid, standvastigheid, trouw, plichtsbetrachting en opofferingsgezindheid gericht. In vele opzichten geeft hij zo een tegenhanger in proza van de Aeneïs, waaraan Vergilius vrijwel in hetzelfde jaar begon als L. met zijn werk Ab urbe condita (27 vC).

Dit werk zou hem tot zijn dood (onder Tiberius) bezighouden en met zijn 142 boeken het omvang rijkste ons bekende werk uit de hele antieke literatuur worden. Deze boeken werden in de loop van ruim 40 jaar in althans in de oudere stadia ook inhoudeljjk enigszins samenhangende groepen van 5 (pentaden) of 20 (decaden) uitgegeven. Een werk van zo grote omvang werd onvermijdelijk het slachtoffer van excerptoren, wier epitomae en periochae het voortbestaan van het geheel bedreig den. Alleen de le, 3e en 4e decade en de daarop volgende pentade (boek 40-45) werden door de middeleeuwen overgeleverd. Hierin worden de koningstijd (boek 1) en de oudere republiek (boek 2-10) tot 293 vC behandeld; na de lacune de tweede punische oorlog (boek 21-30), de macedonische en de syrische oorlogen, tot 167 vC (boek 31-45). Van de latere boeken zijn slechts enkele fragmenten (o.a. uit boek 120 de dood van Cicero) en de periochae (behalve van 136 en 137) over. Uit de periocha van boek 142 blijkt dat L. tot 9 vC (dood van Drusus) gevorderd is.

tekst

In de persoonlijkheid en taakopvatting van L. geeft de praefatio (en de prologen van boek 6, 21 en 31) inzicht. Hier blijkt een sympathieke bescheidenheid, een besef van de geweldige omvang van zijn doelstellingen, een nostalgische voorkeur voor de oudere perioden der romeinse geschiedenis, en bovenal een milde ernst, die in zijn stijl een adequate uitingsvorm vond. Hij is verre van de bitterheid en hardheid van Sallustius, ver ook van de aangrijpende en afgrondelijke somberheid van Tacitus. Voor de keizertijd was L. de republikeinse historicus bij uitstek, die zijn annalistische voorgangers in de schaduw stelde. Hoog gewaardeerd werd hij ook van de renaissance (Machiavelli) tot aan de 19e eeuw, toen zijn zwakheden als historicus meedogenloos werden blootgelegd. Pas de 20e eeuw bracht weer waardering op basis van begrip voor de stilist, de verteller, de representant van augusteïsche humanitas.

De handschriften van Livius' werk stammen gedeeltelijk nog uit de late oudheid (Codex Puteanus; 3e decade) en vroege middeleeuwen (Codex Laurishamiensis, boek 41-45). Voor de le decade is een Mediceus, voor de 4e decade de Bambergensis (beide uit de 11e eeuw) de belangrijkste bron.


Lit. Uitgaven: Editio princeps: J. A. de Buxis (Rome 1469). Beste moderne edities: R. S. Conway/C. F. Walters/S. K. Johnson/A. H. McDonald, Titi Livi Ab urbe condita (Oxford 1914vv; 5 delen verschenen). Met engelse vertalirg: B. O. Foster/E. T. Sage/A. C. Schlesinger/R. M. Geer, Livy 1-14 (Loeb Class. Libr., London 1919-1959). Met franse vertaling: J. Bayet/G. Bayet/R. Bloch, Tite-Live, Histoire romaine (Collection Budé, Paris 1947vv; 6 delen verschenen). Beste commentaren: W. Weissenborn/H. J. Müller, Titi Livi Ab urbe condita libri 1-10 (Weidmann, Berlin 1880vv; vele malen herdrukt). R. M. Ogilvie, A Commentary on Livy, books 1-5 (Oxford 1965). Lexicon: D. W. Packard, A Concordance to Livy 1-4 (Cambridge Mass. 1968). Studies: A. Klotz (PRE 13, 816-852). GRL 2, 297-319. H. Taine, Essai sur Tite-Live² (Paris 1910). H. Bornecque, Tite-Live (Paris 1933). E. Burck, Die Erzählungskunst des T.L. (Berlin/Zürich 1933, ²1964). A. Klotz, L. und seine Vorgänger (Leipzig 1940 = Amsterdam 1964). P. G. Walsh, Livy. His Historical Aims and Methods (Cambridge 1961). E. Burck ed., Wege zu Livius (Wege der Forschung 132, Darmstadt 1967). T. A. Dorey ed., Livy (London/Toronto 1971). [Leeman]



Lijst van Auteurs