Ovidius

Ovidius, romeinse dichter. Publius Ovidius Naso is wat zijn invloed betreft de derde grote Augusteïsche dichter naast Vergilius en Horatius; hij mist het sympathetisch sentiment van de eerste en de hoge opvatting van het métier van de tweede. Door zijn gewone metrum, het elegisch distichon, is hij verwant met Tibullus en Propertius, maar hij mist van de eerste de oprechte eenvoud en van de tweede de intensiteit van de liefdesbeleving. O. zelf wordt technisch door onovertroffen virtuoze gemakkelijkheid in vers- en stofbehandellng en menselijk door frivole urbaniteit van levensinstelling gekenmerkt. Hij is misschien de toegankelijkste, maar ook, in al zijn stofrijkdom, de eenzijdigste van de romeinse dichters.

(I) Leven. Vrijwel alle gegevens over het leven van O. zijn te vinden in een autobiografisch gedicht, Tristia 4, 10. Te Sulmo geboren in 43 vC uit een familie die tot de ridderstand behoorde, studeerde hij te Rome retorica onder twee leraren van de modernistische richting, Arellius Fascus en Porcius Latro, beiden meesters in de declamatio, waarvan zoveel invloed in Ovidius' werk te vinden is. Tegen de zin van zijn vader gaf hij zijn juridische en administratieve loopbaan snel op en wijdde zich geheel aan de poëzie. Zijn werk maakte spoedig furore in de geletterde en mondaine kringen. Van zijn drie huwelijken was alleen het laatste een succes (Tristia 1, 6). In 8 nC kwam de slag van zijn leven: op bevel van Augustus werd hij verbannen (relegatio) naar Tomi (thans Costanza) in het barbaarse Getenland aan de Zwarte Zee. In Tristia 2, 207 noemt hij daarvoor twee redenen: carmen (ongetwijfeld de Ars amatoria, flagrant in strijd met Augustus' politiek tot verbetering van de huwelijksmoraal) et error (veelomstreden, waarschijnlijk verband houdend met een schandaal waarin 's keizers kleindochter Julia verwikkeld was). Tot zijn dood in 18 nC sleepte zijn leven zich hier voort, waar hij verstoken was van alles wat hem dierbaar was. Zijn Tristia en de Epistulae ex Ponto vormen hiervan het eindeloze klachtenboek.

(II) Werken. Ovidius' eerste werk zijn de Amores (oorspronkelijk in vijf, later in drie boeken), erotische gedichten, die goeddeels een fictief karakter hebben en gericht zijn tot Corinna; zij getuigen eerder van een interesse in de liefde zelf met al zijn mogelijkheden dan van een gerichte verliefdheid. Het beste gedicht uit de verzameling is een klacht op de vroege dood van Tibullus (3, 9). In dezelfde tijd ontstonden de Heroides (of Heroidum epistulae), 21 heldinnenbrieven, waarvan de ]aatste zes (drie met de antwoorden) van twijfelachtige authenticiteit zijn. Het zijn vaak treffende stukken, waarin een karakter, een situatie en een relatie in een dramatische dialoog worden uitgebeeld: de heldinnen (Penelope, Phaedra, Medea, Dido e.a.) blijven echter dames uit het Augusteïsche Rome. De retorische suasoria ligt als type ten grondslag aan deze virtuoze kunststukken.

De Ars amatoria (De minnekunst) is Ovidius' 'beruchtste' werk. In een geest van het puurste hedonisme worden hier (in drie boeken) zowel voor man als vrouw voorschriften voor een efficiënt optreden van minnaars en minnaressen gegeven, die ons een hoge dunk geven van het gecultiveerde raffinement, ook van de vrouw in zijn tijd. Minder aantrekkelijk zijn de Remedia amoris (Middelen tegen de liefde) en het overgeleverde fragment Medicamina faciei femineae (De verzorging van het vrouwelijk gelaat).

Het hoofdwerk van O. zijn de Metamorphoses (15 boeken, in hexameters), waarin talloze, vooral griekse legenden, die meestal een gedaanteverwisseling behelzen, tot een los geheel aaneen worden geregen; de boeken 13-15 bevatten ook romeinse verhalen (Aeneas, Numa). Nergens in de antieke literatuur is het novellistische element zo sterk vertegenwoordigd. Enkele van de bekendste verhalen zijn die van de vier wereldtijdperken (boek 1), van Phaëton en de zonnewagen (2), van Pyramus en Thisbe (4), Medea (7), Daedalus en Icarus (8), Philemon en Baucis (8), Orpheus en Eurydice (10), Aiax en Ulixes (13), Galathea (13), Pythagoras (15). In de alexandrijnse poëzie was de gedaanteverwisseling een bekend thema geweest (Nicander, Parthenius, Theodorus), maar de relatie van O. met zijn verloren bronnen ontgaat ons.

tekst

Een tweede werk van meer serieuze ambitie zijn de Fasti, een feestkalender, waarvan slechts zes boeken (zes maanden) voltooid; zijn, met talrijke verhalen, legenden en folkloristische curiosa, waarvoor O. gegevens bij Varro en Verrius Flaccus kon vinden. Ook dit werk treft door zijn gemakkelijke en levendige verhaaltrant.

Uit de tijd van Ovidius' verbanning stammen twee collecties poëtische brieven, waarin hij Rome op de hoogte hield van zijn ellende: de Tristia in vijf boeken (waarin de namen der geadresseerden om veiligheidsredenen verzwegen zijn) en de Epistulae ex Ponto in vier boeken. In beide werken overheerst het eentonige zelfbeklag; het tweede boek van de 'Tristia' is een interessante apologie, gericht tot Augustus zelf.

Tot dezelfde periode behoren de Ibis, een omstandig en duister hekeldicht in navolging van Callimachus, gericht tegen iemand die in Rome Ovidius' vrouw en bezittingen bedreigt, een fragment in hexameters over vissen in de Zwarte Zee (Halieutica) en de Nux, een allegorie in 91 disticha, waarin een noteboom (= Ovidius) klaagt over alles wat hij van voorbijgangers te verduren heeft. Zeker niet van O. is de onder zijn naam overgeleverde Consolatio ad Liviam, een troostgedicht bij de dood van Livia's zoon Drusus, dat het karakter van een retorische schooloefening heeft. Enkele echte werken van O. zijn verloren gegaan, waaronder de door Quintilianus (Institutio 10, 1, 98) en Tacitus (Dialogus 12) geprezen tragedie Medea.

(III) Invloed. Ovidius' invloed op de literatuur van de 1e eeuw nC is zeer groot geweest. Juist zijn gekunsteldheid sloot aan bij de smaak van die tijd. Minder vanzelfsprekend is zijn grote populariteit in de middeleeuwen, toen de novellistische verteller veel werd gelezen en nagevolgd. Door Maximus Planudes (13e eeuw) werden Metamorfosen en Heroïdes in het grieks vertaald. Ovidius' grootste vogue kwam echter met de renaissance, de 16e en de 17e eeuw. Hij leverde toen een arsenaal aan motieven voor mythologische voorstellingen in de beeldende kunst. Zijn vertelkunst inspireerde Torquato Tasso, Ariosto, Chaucer, Spenser, Milton en vele anderen.


Lit. Bibliografieën: E. Paratore, Bibliografia Ovidiana (Sulmona 1958). W. Kraus, Forschungsbericht Ovid (Anzeiger für die Altertumswissenschaft 11, 1958, 129-146; 16, 1963, 1-14; 18, 1965, 193-208). Lampadion 3, 1962-1963, 71v, 80-116. Uitgaven: Editiones principes: Rome en Bologna 1471. Grote recente edities: R. Ehwald/F. Lenz, O. Nasonis Carmina 1-3 (Leipzig 1888-1924, ²1915-1932). S. G. Owen/E. J. Kenney, O. Opera 1-2 (Oxford 1915-1961). Met franse vertaling: H. Bornecque/M. Prévost/G. Lafaye/R. Schillulg/J. André, Ovide 1-11 (Paris 1924-1968). Met engelse vertaling: G. Showermann/F. J. Miller/A. L. Wheeler/J. H. Mozley, Ovid 1-6 (Loeb Class. Libr., London 1921-1931).

Uitgaven, commentaren en vertalingen van afzonderlijke werken: P. Brandt, O. Amorum libri tres (Leipzig 1911 = Hildesheim 1963; met commentaar). Met italiaanse vertaling en commentaar: F. Munari, O. Amores (Florence 1951, ²1959). Met duitse vertaling: W. Marg/R. Harder, Ovid, Liebesgedichte (Amores) (München 1968).
A. Palmer, O. Heroides, with the Greek Translation of Planudes (Oxford 1898 = Hildesheim 1967). H. Dörrie, O. Epistulae Heroidum (Berlin 1971; met uitvoerige inleiding en Commentaar).
P. Brandt, O. De Arte amatoria libri tres (Leipzig 1902 = Hildesheim 1963; met commentaar). Nederlandse vertaling.J. Meihuizen, O. De kunst der vrijage (Amsterdam 1942). Met duitse vertaling: F. Lenz, Ovid, Die Liebeskunst (Berlin 1969).
F. Lenz, O. Remedia amoris, Medicamina faciei (Turijn 1965). Met duitse vertaling: Id., Ovid. Heilmittel gegen die Liebe, Die Pflege des weiblichen Gesichtes (Berlin 1969). M. Haupt/R. Ehwald/M. von Albrecht, Die Metamorphosen des O. 1-2 (Zürich 1966; met commentaar). Met duitse vertaling: H. Breitenbach, Ovid, Metamorphosen (Zürich 1958, ²1964). Nederlandse vertalingen: H. Scheuer, O. Metamorphosen, in de oorspronkelijke versmaat vertaald (Zaltbommel 1923). W. van der Weerd, O. Gedaanteverwisselingen, in proza vertaald (Amsterdam 1904).
Met engelse vertaling en commentaar: J. G. Frazer, O. Fastorum libri VI, 1-5 (London 1929 = Hildesheim 1973). Met duitse vertaling en commentaar: F. Bömer, Ovid, Die Fasten 1-2 (Heidelberg 1957v).
Commentaren op de Tristia: S. G. Owen, Ovid, Tristia book I³ (Oxford 1902). Id., O. Tristium liber II (ib. 1924 = Amsterdam 1967). Id., O. Tristia book IID (ib. 1893). T. de Jonge, O. Tristium liber IV (Diss. Groningen 1951). J. Bakker, O. Tristium liber V (Diss. Groningen, Amsterdam 1946). Met duitse vertaling en commentaar: G. Luck, Ovid, Tristia 1-2 (Heidelberg 1967v).
A. Scholte, O. Ex Ponto liber I commentario exegetico instructus (Diss. Groningen, Amersfoort 1933).
F. Lenz, O. Ibis (Turijn 1937, ²1956). A. la Penna, O. Ibis (Florence 1957; met commentaar).
F. Lenz, Ovidii Halieutica, Fragmenta, Nux. Incerti Consolatio ad Liviam (Turijn 1939, ²1956). I. A. Richmond, The Halieutica Ascribed to Ovid (London 1962; met commentaar). F. Capponi, O. Halieuticon 1-2 (Leiden 1972: met commentaar) .
Algemene studies: W. Kraus (PRE 18, 1910-1986). - H. Fraenkel, Ovid, a Poet between Two Worlds (Berkeley 1945, ²1956; duitse vertaling Darmstadt 1970). L. P. Wilkinson, Ovid Recalled (Cambridge 1955). N. Herescu ed., Ovidiana. Recherches sur Ovide, publiées à l'occasion du bimillénaire de la naissance du poète (Paris 1958). B. Otis, Ovid as an Epic Poet² (Cambridge 1970). E. Zinn/M. von Albrecht, Ovid (Wege der Forschung 92, Darmstadt 1968). J. Frécaut, L'esprit et l'humour chez Ovide (Grenoble 1971). - E. K. Rand, Ovid and His Influence (London 1925). W. Stroh, Ovid im Urteil der Nachwelt. Eine Testimoniensammlung (Darmstadt 1969).
Index: R. J. Deferrari/M. I. Barry/M. McGuire, A Concordance of Ovid (Woshington 1939). [Leeman]



Lijst van Auteurs