Satire

Satire (latijn satura, satira, satyra), bij de Romeinen aanduiding voor een der literaire genres, alsmede voor een individueel gedicht dat tot dit genre behoorde, doch nog niet, zoals in later tijd gebruikelijk is geworden, ook voor iedere langere of kortere passage in proza of poëzie die een spottend karakter heeft en die behalve een zelfstandig werk ook een onderdeel kan zijn van een literaire tekst.

Hoewel ook in de griekse literatuur satirische elementen zijn te vinden, zoals in de fabels van Aesopus, het werk van Semonides, de iambi van Archilochus, Hipponax en Callimachus, het satirische epos (Margites; Batrachomyomachie), de Oude Komedie, de filosofische diatribe en het in hellenistische tijd beoefende genre van de silloi ('spotverzen'; Timon), is de s. als zelfstandig literair genre een schepping van de Romeinen, waarop Horatius' (Satire 1, 10,66) typering Graecis intactum carmen ('een door de Grieken niet beoefend poëtisch genre') en Quintilianus' kwalificatie tota nostra ('geheel van ons', Institutio oratoria 10, 1, 94) zeker van toepassing zijn. Dat het genre van de s. bij de Romeinen zo'n belangrijke plaats is kunnen gaan innemen en zo'n rijke ontwikkeling heeft kunnen doormaken, vindt zijn oorzaak in het feit dat het niet alleen kon voortbouwen op genoemde griekse elementen, maar ook aansloot op een typisch italische neiging tot spot en scherts (het z.g. acetum Italicum = 'italische azijn', dat wil zeggen 'bijtende spot'). Deze neiging manifesteerde zich voor de intrede van het genre o.a. in de versus fescennini, (schertsende bruiloftsliederen), de spottende liederen die soldaten zongen tijdens de triumphus, en de komedies van Naevius en Plautus.

Ter verklaring van de term s. gingen de romeinse literatuurtheoretici, in het bijzonder Varro en Diomedes, uit van een vorm satura, hetzij als substantivum (in de betekenis van 'vulsel', 'een uit verschillende ingrediënten samengesteld voedsel', synoniem van farcimen, een term uit het culinaire taalgebruik), hetzij als adiectivum, en wel in de verbindingen satura lanx (= een rijk met allerlei vruchten gevulde offerschaal) en satura lex (= een soort verzamelwet). In aansluiting hierop werd onder s. oudtijds bij de Romeinen dan ook verstaan 'gevarieerde poëzie', als aanduiding voor de inhoud van een bundel gedichten vergelijkbaar met grieks-hellenistische titels als σύμμεικτα en ἄτακτα. S. in deze zin werd door hen vooral geassocieerd met het desbetreffende werk van Ennius en Pacuvius. Pas later zou de term s. de betekenis hebben gekregen van maledicum carmen ('een hekelende dichtvorm').

Toen ook werd een verbinding gelegd met satyrus (begeleider van Bacchus) en werd niet altijd scherp onderscheiden tussen s. en satyrdrama (fabula satyrica), met name vanwege het gemeenschappelijke kenmerk van de vrijmoedige spot. Deze associatie heeft ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van de nevenvormen satira en satyra. Onduidelijk is voorts wat precies de relatie is geweest tussen het literaire genre van de s. zoals wij dat kennen, en de bij Livius (7,2) vermelde saturae, waarmee een bepaalde fase in de ontwikkeling van het romeinse toneel wordt aangeduid en die volgens de beschrijving van de historicus bestonden uit een mengeling van zang, dans en mimiek. Naast genoemde antieke verklaringen vindt men de moderne etymologieën, die enerzijds een verbinding leggen met het etruskische sat(i)r (= 'spreken') en anderzijds uitgaan van het latijnse adiectivum satur in de betekenis 'dronken'. De eerste van deze beide laatstgenoemde etymologieën vindt enige steun in het feit dat zowel Horatius als Lucilius hun satiren aanduiden als sermones ('spreekverzen'); de tweede in het feit dat bij enige romeinse dichters (Lucretius 5, 1390; Tibullus 2,1, 51v; Persius 1,30v) wordt gesproken over gedichten bij feesten in het oude Rome die werden gezongen door deelnemers die saturi ('zat; verzadigd') waren.

Van deze etymologieën lijkt die welke onder satura een 'mengvorm' verstaat, het best aan te sluiten bij de oudste ons bekende vorm, de Saturae van Quintus Ennius, die zeer gevarieerd waren van inhoud en vorm, doch op 33 regels na verloren zijn. S. in deze zin van 'gemengde poëzie' zou volgens de bronnen ook geschreven zijn door Pacuvius, doch daarvan is niets bewaard. Bij Lucilius, door lateren beschouwd als de primus, de eigenlijke schepper van het genre, heeft de s. reeds de vorm gekregen van een carmen maledicum, een hekeldicht vol felle spot en persoonlijke aanvallen. Veel milder was Horatius, wiens beide boeken Saturae door hem zelf Sermones werden genoemd en die als uitgangspunt huldigde het ridentem dicere verum ('Lachend de waarheid zeggen'). Bij uitstek filosofisch ingesteld was de duistere Persius. Scherpe spot daarentegen was wederom het kenmerk van de s. van Iuvenalis, de laatste grote vertegenwoordiger van het genre bij de Romeinen, alsook degene die het karakter ervan voor latere tijd het meest heeft bepaald.

Minder bekende s.-schrijvers waren Turnus onder Domitianus en de in dezelfde tijd levende Sulpicia, van wie enige verzen over de verdrijving van de filosofen uit Rome over zijn.

Behalve de s. in versvorm (oudtijds in verschillende metra, zoals de iambische senarius en trocheïsche septenarius bij Ennius en Lucilius, maar reeds bij Lucilius in overwegende mate en na hem nog uitsluitend in hexameters) kenden de Romeinen nog een tweede vorm (alterum genus, zegt Quintilianus), de z.g. menippeïsche satire, zo genoemd naar de griekse filosoof Menippus van Gadara, en met als voornaamste kenmerk de afwisseling van proza en (in zeer diverse metra gecomponeerde) poëzie (prosimetrum) en ernst en scherts (σπουδαιογέλοιον). Bij de Romeinen werd deze soort vooral beoefend door Varro (ca. 600 regels over), Seneca (Apocolocynthosis) en Petronius (Satyricon); in latere tijd vinden we hiervan een specimen in het werk van Martianus Capella, Tertullianus (De pallio) en Boethius (De consolatione philosophiae).

In de hiërarchie der genres gold de s. als een lagere soort, waarvan zelfs werd betwijfeld of ze wel tot de poëzie gerekend diende te worden. Tekenend is bv. dat de s. geen eigen Muze kent. In overeenstemming hiermee was de woordkeus van dit genre dan ook de sermo familiaris (de omgangstaal). Met s. verwant waren o.m. de iambus (beoefend door Catullus en door Horatius in zijn Epoden), het epigram (Martialis) en de fabel (Phaedrus), terwijl ook in het werk van Apuleius duidelijk satirische elementen te onderkennen zijn.


Lit. Bibliografie: W. S. Anderson, Recent Work in Roman S., 1937-1955 (Classical Weekly 50, 1956, 33-40); 1955-1962 (ib. 57, 1964, 293-301, 343-348); 1962-1968 (ib. 63, 1970, 181-199, 217-222). - J. W. Duff, Roman S. Its outlook on social life (Berkeley 1936). N. Terzaghi, Per la storia della satira (Messina 1944). J. P. Sullivan ed., Critical Essays on Roman Literature 2. Satire (London 1963). C. A. van Rooy, Studies in Classical S. and Related Literary Theory (Leiden 1966). W. Krenkel ed., Römische S. (Wissenschaftliche Zeitschrift der Universität Rostock, Geselischafts- und Sprachwissenschaftliche Reihe 15, 1966, Heft 4/5, 407-584). E. C. Witke, Latin S. The structure of persuasion (Leiden 1970). D. Korzeniewski ed., Die römische S. (Wege der Forschung 238, Darmsradt 1970). U. Knoche, Die römische S.3 (Göttingen 1971). S. Ramage/D. L. Sigsbee/S. C. Fredericks, Roman Satirists and their S. The fine art of criticism in ancient Rome (Park Ridge NJ. 1974). M. Coffrey, Roman S. (London 1976). De Latijnse S. (Lampas-themanr. 12, 4/5, 1979). W. S. Anderson, Essays on Roman S. (Princeton 1982). Een selectie van vertaalde satiren: O. Weinrich, Römische S.n2 (Zürich/Stuttgart 1962). W. Krenkel ed., Römische S.n (Berlin/Weimar 1970 = Darmstadt 1976). - Zie voorts s.vv. Ennius, Horatius, Iuvenalis, Lucilius, Persius en Varro. [Brouwers]



Lijst van Auteurs