Tacitus

Tacitus, de grootste romeinse geschiedschrijver. Over zijn leven is vrij weinig bekend; zelfs zijn voornaam (Publius?) is niet ondubbelzinnig overgeleverd. In zijn werken geeft hij een vooral psychologisch diepgaande interpretatie van de 1e eeuw nC, het tijdperk waarin de traditionele romeinse waarden en idealen van virtus en libertas, gevormd door de eeuwen der republiek, onder het principaat ten onder gingen. T. beschrijft dit proces met een dramatische spanning tussen voorname distantie en persoonlijk lijden, acceptatie en nostalgie.

(I) Leven. T. werd omstreeks 55 nC geboren uit een familie (gens Cornelia) die waarschijnlijk uit Noord-Italië of Zuid-Gallië stamde. Zijn leven speelde zich in het milieu der senaatsaristocratie af. In 77 huwde hij de dochter van Agricola, wiens biografie hij later schrijven zou. Zijn ambtelijke carrière begon onder keizer Vespasianus. Onder de tiran Domitianus was hij praetor (88), onder Nerva consul suffectus (97), onder Traianus stadhouder van Asia (omstreeks 112). Vanaf 98 tot zijn dood (waarschijnlijk tussen 115 en 120) wijdde hij zich aan de geschiedschrijving, na een vroegere carnère als redenaar, waartoe hij een retorische opleiding onder M. Aper en Iulius Secundus - misschien ook onder Quintilianus, de grondlegger van het romeinse classicisme - had genoten. Zijn laatste optreden als redenaar valt in 100, toen hij samen met zijn vriend Plinius minor de stadhouder van Africa, Marius Priscus, wegens afpersingen aanklaagde.

(II) Werken. 1. Van zijn afscheid van het redenaarschap legde T. in de eerste jaren van de 2e eeuw rekenschap af in zijn Dialogus de oratoribus, een werk dat in stijl en toon aan Cicero's De oratore herinnert en daarin sterk verschilt van zijn eigenlijke historische werken. Hij geeft een gesprek weer van enkele leidende literaire persoonlijkheden, dat hij als jongeman zou hebben bijgewoond. De vraag naar de oorzaak van het verval der welsprekendheid, in dezelfde periode behandeld door Quintilianus en door de anonieme auteur van het traktaat Περὶ ὕψοος (c.44), en reeds eerder door Petronius (Sat. 1-5), wordt door de aanwezigen verschillend beantwoord. Aper beweert zelfs dat er eerder van een kunstige vernieuwing sprake is; Messalla, classicist en 'Quintiliaan', noemt het verval van zeden en opvoeding als oorzaak. Gastheer Maternus is genuanceerder en geeft te kennen dat er onder het principaat onvoldoende speelruimte is voor het vrije woord; zelf heeft hij gekozen voor het schrijven van tragedies, waarin hij zich op indirecte wijze over de conflicten van vrijheid en tirannie kan uiten. Onmiskenbaar verbergt zich achter het masker van Maternus T. zelf, die voor de (dramatiserende) geschiedschrijving gekozen heeft.

2. In 98 had T. een biografie van zijn gestorven schoonvader Agricola gepubliceerd, een hoogst merkwaardige mengvorm van biografie - maar dan zonder het 'huiselijke' karakter dat biografen als Nepos en Suetonius kenmerkt -, van elementen van de laudatio funebris (slot) en van historische en etnografische (excurs over Britannië) elementen. Hij schildert de carrière van de plooibare en toch principiële Agricola onder de tiran Domitianus. De proloog (1-3) is een aangrijpend en onthullend document voor de leefsfeer onder deze keizer, onder wie het woord, op straffe van de dood, tot zwijgen moest komen. Agricola's houding en zijn vermijden van iedere aanstoot wordt geprezen in polemiek tegen verstokte principiële opponenten van het gezag. De apologetische tendentie is duidelijk voelbaar en strekt zich, evenals in het geval van Maternus, ook tot Tacitus' eigen houding uit.

3. In hetzelfde jaar 98 verscheen de Germania, een etnografische monografie die de belangrijkste bron voor onze kennis betreffende de oude Germanen is. De bedoeling van dit werkje is omstreden. Kwam het alleen tegemoet aan de publieke belangstelling voor een volk waarmee de Romeinen in de 1e eeuw zoveel te maken hadden, of moet het eerder als een zedenspiegel worden beschouwd? Tegen het laatste pleit dat de Germanen wel in hun oerkracht, maar niet als moreel ideaal zonder meer worden geschilderd. In elk geval blijkt T. geboeid door het 'anderszijn' van de Germanen, zoals hij ook in de Agricola opvallende aandacht geeft aan de onbarmhartig anti-romeinse rede van de britse aanvoerder Calgacus.

tekst

4. Reeds aan het slot van de proloog van de Agricola had T. een echt geschiedwerk aangekondigd over de tijd van Domitianus en de 'goede' keizers Nerva en Traianus. In plaats daarvan begon hij in de Historiae, aangevangen in de eerste jaren van de 2e eeuw, reeds met het driekeizerjaar (69) om met het gruwelbewind van Domitianus, een dieptepunt, te eindigen. Van de in totaal waarschijnlijk 14 boeken zijn alleen 1-4 en het begin van 5 (69 en gedeeltelijk 70) bewaard. Het interessantst, zeker voor ons, is boek 5 met de excurs over de joden en de opstand van de Bataven onder Civilis. Onvergetelijk zijn ook de vignetten waarmee hoofdpersonen worden gekarakteriseerd. Verloren is o.a. helaas het gedeelte waarin T., voorgelicht door de beroemde brieven van Plinius, de uitbarsting van de Vesuvius (79) beschreef. In zijn proloog neemt T. stelling tegen zijn voorgangers, die de waarheid ten gunste of ten nadele van de beschreven keizers te kort hebben gedaan. Zijn bronnen noemt hij, zoals in de oudheid gebruikelijk was, slechts sporadisch. Naast de vermeide Plinius minor en Vipstanus Messalla moet hij ook Cluvius Rufus en Fabius Rusticus gebruikt hebben.

tekst

5. Na 110 wijdde hij zich in zijn Annales, wederom anders dan in Historiae 1,1,4 aangekondigd, aan een nog vroegere periode van het principaat, nl. de tijd van Augustus' dood tot die van Nero. Van de waarschijnlijk 18 boeken zijn 1-4, begin 5, en 6 zonder het begin over, alsmede 11-16 zonder het begin en het einde. De boeken 1-6 vormen duidelijk een doorgecomponeerd geheel, een 'Tiberius-tragedie' met een opkomst (1-3) en een neergang (4-6) door de kwade genius Seianus. Ook verder houdt T. van dramatische contrasten, waardoor hij bv. Tiberius te negatief en zijn tegenspeler Germanicus te positief tekent. Het beroemde sine ira et studio uit de proloog (Annales 1,1) heeft hij zelf meer dan eens geschonden ter wille van een pakkend-dramatische compositie. Het andere bewaarde stuk 11-16 wordt door de figuren van Claudius (11-12) en Nero (1316) en door hun talrijke mede- en tegenspelers (Messalina, Agrippina, Pallas, Narcissus, Seneca, Burrus, Octavia etc.) beheerst. Een der schokkendste tijdvakken van de geschiedenis krijgt hier zijn onvergankelijke gestalte. De beide laatste boeken beschrijven de Pisonische samenzwering en bevatten het sombere fresco van het levenseinde van Nero's (vermeende) tegenstrevers (o.a. Seneca, Petronius). Nooit is menselijke verwording grootser geschilderd.

Beroemd is ook het stuk over de brand van Rome en de christenvervolgingen (15,38-44). Bronnen voor de Tiberius-hexade zijn o.a. de memoires van Agrippina en Plinius maior, voor de Nero-boeken ook Plinius maior, verder o.a. Cluvius Rufus, Fabius Rusticus en Domitius Corbulo. Tacitus' houding tegenover het principaat en tegenover de mens en zijn lot is in de Annales nog negatiever dan in de Historiae. Over het doel van zijn werk spreekt hij in de ten dele zeer verhulde excurs 4,3233, naar aanleiding van de terdoodveroordeling van de openhartige historicus Cremutius Cordus, met wie hij zich zonder zijn gebruikelijke distantie hartstochtelijk solidair verklaart (4,35).

(III) Ondanks duidelijke en bewuste aansluiting bij het voorbeeld van Sallustius is Tacitus''voorname' (σεμνῶς volgens Plinius, Epistula 2,11,17) stijl de unieke uitdrukking van zijn persoonlijkheid en visie: bondigheid tot aan de grens van duisterheid, vol antithesen en onverwachte syntactische voortzettingen (variatio) vol insinuerende dubbelzinnigheid. Als psycholoog wordt hij alleen door Seneca geëvenaard. Als historicus heeft hij zijn beperktheden: gebrek aan belangstelling voor het functioneren van het imperium, voor de provincies, voor alle sociaal-economische aspecten; de geschiedenis is voor hem een menselijke tragedie, die zich grotendeels aan en rondom het keizerlijk hof voltrekt. Na zijn dood vond T., zoals te verwachten was, weinig weerklank (Ammianus Marcellinus). Slechts enkele lacuneuze handschriften hebben de middeleeuwen overleefd. De drie belangrijkste zijn:
- de z.g. codex Hersfeldensis (9e eeuw), die de drie monografieën bevatte, grotendeels verloren gegaan is en alleen in afschriften bewaard gebleven;
- codex Mediceus I (Florence, Laur. plut. 68,1; 9e eeuw), het enige handschrift dat de boeken 1-6 van de Annales bevat;
- codex Mediceus II (Florence, Laur. plut. 68,2; 11e eeuw), het oudste handschrift waarin Annales 11-16 en Historiae 1-5 overgeleverd zijn.
De beide Medicei zijn in facsimile uitgegeven door E. Rostagno (Codices graeci et latini photographice depicti 7,1-2, Leiden 1902).
De humanisten (o.a. Montaigne en later ten onzent P. C. Hooft, die hem vertaalde en navolgde) hebben T. herontdekt. Verscheidene episoden uit zijn werk (bv. die over Britannicus) hebben stof voor drama's opgeleverd.


Lit. Recente literatuuroverzichten: R. Hanslik, Forschungsbericht T. (Anzeiger für die Altertumswissenschaft 13, 1960, 65-102; 20, 1967, 1-32; 27, 1974, 129-166). Id., T. 1939-1972 (Lustrum 16, 1971-1972, 143-304; 17, 1973-1974, 71-216). H. Benario, Recent Work on T., 1969-1973 (Classical World 71, 1977, 1-32).
Editiones principes: Vindelinus de Spira (Venetië 1470; Annales 1116, Historiae, Germania, Dialogus). F. Beroaldus (Rome 1515; eerste complete uitgave).
Annales. Beste recente edities: C. D. Fisher, C. Taciti Annalium ab excessu Divi Augusti libri (Oxford 1906). E. Koestermann, P.C. Taciti Ab excessu Divi Augusti (Leipzig 1960). Metfranse vertnling: P. Wuilleumier, Tacite, Annales (Paris 1975-1978; vier delen). Met engelse vertaling: J. Jackson, T., The Annals (Loeb Class. Libr., London 1931-1937; drie delen). Met duitse vertaling: C. Hoffmann, T., Annalen (München 1954). Uitgaven met commentaar: H. Furneaux, The Annals of T.Z (Oxford 1896-1907; twee delen). K. Nipperdey/G. Andresen, C.T., Ab excessu Divi Augusti (Berlin 1 1915; = Zürich 1978). E. Koestermann, C.T. Annalen (Heidelberg 1963-1968; vier delen). N. P. Miller, T., Annals 1 (London 1959). F. R. Goodyear, The Annals of T. (Cambridge 1972vv; twee delen verschenen). Nederlandse vertalingen: P. C. Hooft, Cornelius T., Jaarboeken en Historien, ook zijn Germanië en 't leeven van J. Agricola (Amsterdam 1684). J. Meijer, P. C. T., Kronieken (Haarlem 1955). Studie: B. Walker, The Annals of T. A study in the writing of history (Manchester 1952, ²1960).
Historiae. Beste recente edities. C. D. Fisher, C. Taciti Historiarum libri (Oxford 1911). E. Koestermann, P. C. Taciti Historiarum libri (Leipzig 1961). H. Heubner, P. C. T., Historiarum libri (Stuttgart 1978). Met franse vertaling: H. Goelzer, Tacite, Histoires (Paris 1921; twee delen). Met engelse vertaling: C. H. Moore, T., The Histories (Loeb Class. Libr., London 1925-1931; twee delen). Met duitse vertaling: J. Borst/H. Hross, T., Historien (München 1959). Llitgaven met commentaar: K. HeraeuslW. Heraeus, C. Taciti Historiarum libri qui supersunt (Berlin 1 1929, 2 1927; = Amsterdam 1967). E. Wolf/G. Andresen, P. C. Taciti Historiarum libri qui supersunt (Berlin 1914-1926). H. Heubner, T., Die Historien (Heidelberg 1963-1976; vier delen). G. Chilver, A Historical Commentary on Tacitus' Histories I and II (Oxford 1979). Nederlandse vertalingen: P.C. Hooft (zie boven). J. Meijer, T., Historiën (Haarlem 1958).
Opera minora. Beste recente edities: E. Koestermann, P. C. Taciti Germania, Agricola, Dialogus de oratoribus (Leipzig 1962). M. Winterbottom/R. M. Ogilvie, Cornelii Taciti Opera minora (Oxford 1975). Mer franse vertaling: J. Perret, Tacite, La Germanie (Paris 1949). H. Goelzer/H. Bornecque, Tacite, Dialogue des orateurs (ib. 1936). E. de Saint-Denis, Tacite, Vie d'Agricola (ib. 1942). Mer engelse vertaling: W. Peterson/M. Hutton/R. M. Ogilvie/E. H. Warmington/M. Winterbottom, T., Agricola, Germania, Dialogus (Loeb Class. Libr., London 1970). Met duitse vertaling: H. Volkmer, T., Dialogus de oratoribus (München 1967). R. Till, T., Das Leben des J. Agricola (Berlin 1961). Uirgaven met commentaar: W. Gudeman, T. Dialogus de oratoribus (Leipzig ²1914 = Amsterdam 1967). J. G. Anderson, C. Taciti De origine et situ Germanorum (Oxford 1938). R. M. OgilvielI.A. Richmond, C. Taciti De vita Agricolae (ib. 1967). R. Much/W. Lange/H. Jahnkuhn, Die Germania des T. (Heidelberg 1967). R. Güngerich/H. Heubner, Kommentar zum Dialogus des T. (Göttingen 1980). Nederlandse vertalingen: P.C. Hooft (zie boven). J. Meijer, P.C.T., Opera minora (Haarlem 1961). Studies: E. Norden, Die Germanische Urgeschichte in Tacitus' Germania (Leipzig 1920, 1923 = Darmstadt 1959). K. Banvick, Der Dialogus de oratoribus des T. Motive und Zeit seiner Entstehung (Leipzig/Berlin 1954). A. Michel, Le Dialogue des orateurs de Taclte et la philosophie de CicCron (Paris 1962). H. Gugel, Untersuchungen zu Stil und Aufbau des taciteischen Rednerdialogs (Innsbruck 1969).
Lexica: A. Gerber/A. Greef, Lexicon Taciteum (Leipzig 1877-1903 = Hildesheim 1962). P. Fabia, Onomasticon Taciteum (Paris/Lyon 1900 = Hildesheim 1964).
Algemene werken: St. Borzsák (PRE Suppl. 11, 1968, 373-512). GRL 2, 603-643. - G. Boissier, Tacite (Paris 1903, 1926). H. Drexler, T. Grundzüge einer politischen Pathologie (Frankfurt a.M. 1939 = Hildesheim 1970). P. Wuilleumier/P. Fabia, Tacite, l'homme et l'oeuvre (Paris 1949). A. Hospers-Jansen, T. over de Joden, Hist. V, 2-13 (Diss. Utrecht, Groningen 1949). W. Sprey, T. over de opstand der Bataven (Diss. Utrecht, Groningen 1953). C. Mendell, T. The man and his work (New Haven 1957 = London 1970). R. Syme, T. 1-2 (Oxford 1958). B. R. Voss, Der pointierte Stil des T. (Münster 1963). K. Büchner, T. und Ausklang (Studien zur römischen Literatur 4, Wiesbaden 1964). R. Häussler, T. und das historische Bewusstsein (Heidelberg 1965). D. Dudley, The World of T. (London 1968; duitse vertoling T. und die Welt der Römer, Wiesbaden 1969). V. Pöschl ed., T. (Wege der Forschung 97, Darmstadt 1969). R. Syme, Ten Studies in T. (Oxford 1970). D. Flach, T. in der Tradition der antiken Geschichtsschreibung (Göttingen 1973). J. Lucas, Les obsessions de Tacite (Leiden 1974). H. Benario, An Introduction to T. (Athene 1975). R. Martin, T. (London 1981). [Leeman]



Lijst van Auteurs