Vesta

beeldVesta, oeroude latijns-romeinse godin van het haardvuur. De etymologische relatie van de naam met het griekse Hestia is problematisch, ondanks zakelijke parallellen in bepaalde griekse steden (ἑστία κοινή, 'de gemeenschappelijke haard'; πῦρ ἄσβεστον, 'het eeuwige vuur'). Hoewel de Vesta-cultus diep geworteld was in de romeinse samenleving, is het mogelijk dat hij overgenomen was uit Lavinium, waar evenals in andere steden van Latium (Alba, Lanuvium) Vesta vereerd werd en waar de hoogste romeinse magistraten bij hun ambtsaanvaarding een offer aan Vesta en aan de Penaten brachten. In de particuliere sfeer was Vesta minder belangrijk dan andere huis- en haardgoden (cf. Lares, Penaten), maar in de staatsreligie nam zij een zeer belangrijke plaats in, in verband met de grote betekenis van een gemeenschappelijk vuur. De officiële zetel van de Vesta-cultus in Rome was de Aedes Vestae, een rond tempeltje, dat op het Forum Romanum gelegen was naast het atrium vestae en volgens de overlevering gebouwd was onder Numa Pompilius; de ronde vorm wijst inderdaad op hoge ouderdom. De door matten afgescheiden binnenruimte van het temrieltie (locus intimus of penetral) was alleen toegankelijk voor de Vestaalse maagden en herbergde de heilige voorwerpen (sacra) die als onderpand golden van de romeinse macht (pignora fatalia, inzonderheid het Palladium), alsmede de, ook gedeeltelijk buiten het penetral in vaten bewaarde, penus Vestae. Hiermee is de voorraad aan cultusbenodigdheden bedoeld die de Vestaalse maagden bij allerlei religieuze riten en feesten gebruikten, o.m. pekel (muries), offermeel (mola salsa), reukwerk (suffimina), paardebloed, as van verbrande kalveren en bonestro. Waar het eeuwige, doch in feite telkens op 1 maart vernieuwde, vuur van de romeinse staat (ignu aeternus, inexstinctus) precies brandde, staat niet met zekerheid vast, maar het was wellicht buiten het penetral, op een ara humilis.

De heilige maand van Vesta was december, haar feest Vestalia) viel in juni en de parra (ransuil) was haar heilige vogel. Haar titel Vesta mater herinnert wellicht aan de oorspronkelijke huiscultus. Haar assimilatie met Terra kan verband houden met filosofisch-theologische speculaties. Vóór alles personifieerde zij de goddelijke kracht die zich in het vuur openbaart, hetgeen misschien verklaart waarom men zo laat tot antropomorfische voorstellingen van Vesta gekomen is. Er stond geen beeltenis in haar eigen tempel en ook op munten komt zij vóór de 1e eeuw vC niet voor. Ook in de keizertijd lijkt haar iconografie niet vast omlijnd. Op reliëfs, schilderingen en munten verschijnt zij dan veelal gezeten op een troon, met gesluierd hoofd en met een scepter in de linkeren een offerschaal in de rechterhand, mogelijk onder invloed van Scopas' Hestia-beeld.


Lit. G. Wissowa (Roscher 6, 241-273). C. Koch (PRE 8A, 1717-1776). G. Carettoni (EAA 7, 1148v). - K. Schwarz, Der Vestakult und seine Herkunft (Diss. Heidelberg 1941). A. Brelich, Vesta (Zürich 1949). G. Radke, Die Götter Altitaliens (Münster 1965) 320-335. K. Latte, Römische Religionsgeschichte (München 1967) 108-111. C. Ampolo Analpgie e rapporti fra Atene e Roma arcaica. Osservazioni sulla Regia, sul Rex sacrorum e sul culto di Vesta (Past and Present 26, 1971, 443-460). M. Guarducci, Enea e Vesta (Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Instituts, Römische Abteilung 78, 1971, 73-118). H. Hommel, Vesta und die frührömische Religion (in H. Temporini ed., Aufstieg und Niedergang der römischen Welt I, 2, Berlin/New York 1972. 397-420). G. Nagy, Six Studies of Sacral Vocabulary Relating to the Fireplace (Harvard Studies in Classical Philology 78, 1974, 71-105). [van Uytfanghe]


Lijst van Namen