Nero 54 - 68




Lucius Domitius Ahenobarbus Nero werd in 37 n.C. te Antium geboren als zoon van Gnaeus Domitius Aheobarbus (gestorven in 40) en Agrippina minor. Deze inspireerde keizer Claudius, met zij in 49 huwde, om Nero te adopteren, die in 53 Claudius'dochter Claudia Octavia tot vrouw nam. Wonderverhalen van propagandistische aard omgeven zijn troonsbestijging in 54, nadat Agrippina Claudius had laten vermoorden.

Het goede en milde beleid dat Nero gedurende de eerste vijf jaren mede onder invloed van zijn opvoeder Seneca en de praefectus praetorio Afranius Burrus in de trant van Augustus en met inachtneming van de rechten van de senaat voerde, deed reeds spreken van een gouden tijd. Met naar het schijnt oprechte overgave wijdde de keizer zich intussen aan de muziek, dicht-, schilder- en bouwkunst. Op aansporen van Otho trachtte Nero zich echter al spoedig aan de invloed van zijn heerszuchtige moeder te onttrekken.

De mogelijke troonpretendent Britannicus werd in 55, Agrippina zelf in 59 omgebracht. De dood van Burrus (62), het ontslag van Seneca en de scheiding van Octavia bevrijdden hem van andere knellende banden. Otho's vroegere vrouw Poppaea Sabina nam weldra als nieuwe echtgenote de plaats van zijn geliefde Acte in. Intussen echter wonnen Burrus'opvolgers Ofonius Tigellinus en Faenius Rufus aan invloed.

Het optreden van Nero als wagenmenner en citerzanger, eerst in besloten kring, waar hij door vleiers als Apollo werd bejubeld, daarna in het openbaar in Napels en Rome, kwetste in hoge mate de gevoelens van de Romeinen. Zijn buitensporige gedrag en ijdelheid vergrootten zijn impopulariteit. Hebzuchtige en brutale helpers van lage afkomst omgaven de keizer, wiens kostbare oorlogen in Britannië (61) en Armenië tot geldontwaarding en plundering van de welgestelden leidden, waartoe de opnieuw van kracht verklaarde lex maiestatis de mogelijkheid schiep (62). De stichting van de Iuvenalia-spelen (59), gevolgd door de Neronia (61), en de stichting van een gymnasium in Rome konden de ernst van de situatie niet verhelen. De catastrofale brand van Rome (juli 64), die leidde tot de eerste systematische christenvervolging en gevolgd werd door een wederopbouw en de aanleg van de kolossale Domus Aurea, deed nog verder afbreuk aan de naam van de keizer: de volksmond wees zijn persoon zelfs aan als brandstichter. Ieder haatte of vreesde de achterdochtig geworden vorst. De hieruit voortvloeiende samenzwering om Nero te vermoorden en Caius Calpurnius Piso tot keizer tot keizer uit te roepen (65) werd echter verraden. Tot de velen die de dood in werden gedreven, behoorden Seneca, Lucanus, Petronius en Thrasea Paetus.

In het jaar 66, waarin Nero na Poppaea's dood Statilia Messalina huwde, de Armeense kroon te Rome aan Tiridates schonk en Vespasianus naar het opstandige Judaea werd gestuurd, besloot de keizer een reis naar Griekenland te maken. Zijn toernee daar leverde hem 1808 zegekransen, veel jubel en kunstwerken op. De provincie Achaea werd beloond met belastingvrijdom en volledige vrijheid. Ook werd begonnen met het graven van het kanaal van Corinthe. Veel kwaad bloed zette intussen de gedwongen zelfmoord van generaal Corbulo en een van de beide Scribonii, stadhouders in Germania. Het door hongersnood nog aangewakkerde verzet noopte Nero tot terugkeer naar Rome, waar in januari 68 aankwam. Toen waas het echter al te laat. In Gallia stond de gouverneur Caius Iulius Vindex op, in Spanje Galba en in Africa Clodius Macer. Toen de praetorianen zich daarop aan de zijde van Galba schaarden en de senaat Nero to staatsvijand verklaarde, vluchtte deze naar een villa buiten de stad, waar hij op 9 juni zelfmoord pleegde.

Ofschoon de credietzijde van de regering van Nero enkele, niet onbelangrijke posten vertoont (aanvankelijk goed bestuur, oplossing van de Armeense kwestie, herbouw van Rome en bevordering van de Helleense cultuur), is vanaf de oudheid tot op heden het algemen oordeel over de keizer toch sterk negatief. Zijn nagedachtenis werd getroffen door de damnatio memoriae, die de vernietiging van zijn portretten met zich meebracht.

stamboom
Klik op een naam voor meer informatie!


Lit. Suetonius, Nero. Tacitus, Annales 13-16. Cassius Dio 6163. - E. Hohl (PRE Suppl. 3, 1918, 350-394). B. M. Felletti Maj (EAA 5, 424-425). - B. W. Henderson, The Life and Principate of the Emperor N. (London 1903, ²1905). C. Pascal, Nerone nella storia aneddotica e nella legenda (Milaan 1923). G. Schumann, Hellenistische und griechische Elemente in der Regierung Neros (Diss. Leipzig 1930). K. Heinz, Das Bild Kaiser Neros bei Seneca, Tacitus, Sueton und Cassius Dio. Historisch-philologische Synopsis (Diss. Berm 1948). J. Beaujeu, L'incendie de Rome en 64 et les chrétiens (Collection Latomus 49, Bruxelles 1960). A. Boethius, The Golden House of N. Some Aspects of Roman Architecture (Ann Arbor 1960). G. Roux, Néron (Paris 1962). E. Radius, La vita di Nerone (Milaan 1963). J. H. Bishop, N. The Man and the Legend (London 1964). E. Griffe, La persécution des chrétiens de Rome de l'an 64 (Bulletin de Littérature Ecclésiastique 65, 1964, 3-16). A. Balland, Nova urbs et neapolis. Remarques sur les projets urbanistiques de Néron (Mélanges d'Archéologie et d'Histoire de l'École Française de Rome 77, 1965, 349-393). J. Fresch, Die Nerobücher in den Annalen des Tacitus. Tradition und Leistung (Heidelberg 1965). E. M. Smallwood, Documents Illustrating the Principates of Gaius, Claudius and N. (Cambridge 1967). G. Ch. Picard, Augustus and N. (New York 1968). B. H. Warmington, N. Reality and Legend (London 1969). D. W. MacDowall, The Western Coinages of N. (New York 1970). M. Grant, N. (London 1970). E. Cizek, L'époque de Néron et ses controverses idéologiques (Roma aeterna 4, 1971). E. Nicolas, De Néron à Vespasien. Études et perspectives historiques (Paris 1982). M. Griffin, N. The end of a dynasty (London 1984).[A. J. Janssen]





Keizers Rome Lijst van Namen