Homepage Dorothee Sturkenboom
 

De strafvervolging van landlopers, in het bijzonder in Gelderland tussen 1545 en 1798

(Beschrijving van afgerond onderzoeksproject)

Met dit onderzoek werd de eerste onderzoekservaring opgedaan en het is niet eenvoudig om zoveel jaar na dato vast te stellen wat nu precies de inzet van het onderzoek was - behalve de noodzaak een onderzoeksscriptie te schrijven voor het behalen van het kandidaatsexamen geschiedenis in 1984. Het is in ieder geval een onderzoek geweest dat voortkwam uit verwondering. In Nederland zijn landloperij en bedelarij pas in 2000 uit het Wetboek voor Strafrecht gehaald. Maar waarom zijn landlopers eeuwenlang zo streng vervolgd, met soms schrikbarend zware straffen? Wat is er precies misdadig of bedreigend aan het fenomeen rondzwerven zonder vaste bestaansmiddelen dat landloperij in essentie is?

Voor een beantwoording van die vragen is gebruik gemaakt van een aantal disciplineringstheorieën, passend binnend het sociaal-wetenschappelijke paradigma van die dagen, en wel de theorieën van Elias, Foucault, Lis & Soly, en Weisser. Die theorieën zijn getoetst aan oorspronkelijk archiefmateriaal, te weten de in Gelderland uitgevaardigde plakkaten tegen landloperij in de periode 1545-1798 en de criminele procesdossiers van de 602 landlopers die in dezelfde periode bij het Hof van Gelre en Zutphen berecht zijn.

Het onderzoek leverde de volgende conclusies op: landlopers worden door overheden beschouwd als bedreigend voor de orde, omdat ze moeilijk controleerbaar zijn, zich onttrekken aan de heersende arbeidsmoraal en niet in een vast gezinsverband leven dat stabiliteit, controleerbaarheid en productiviteit bevordert. De vervolging en criminalisering van landloperij in de vroegmoderne tijd maakt deel uit van een poging tot disciplinering van het volk door de heersende klassen. Opvallend in dit verband is dat de vervolging van landlopers in hoofdzaak een zaak was van de overheid. De plaatselijke plattelandsbevolking verleende slechts in beperkte mate medewerking en werkte de gerechtsdienaren regelmatig tegen. In getuigenverhoren werd vaker een laconieke of zelfs sympathiserende dan afkeurende houding tegenover de opgepakte landlopers ingenomen, behalve wanneer deze ook andere vergrijpen op hun geweten hadden.

In de loop van de achttiende eeuw vermindert het aantal lijfstraffen, nemen de straffen ook anderszins in zwaarte af en daalt verder het aantal opgepakte landlopers zowel in absolute als in relatieve zin in verhouding tot andere voor het gerecht gebrachte personen. Deze humaniseringstendens hoeft niet noodzakelijk in verband gebracht te worden met een positieve invloed van het humanisme of de Verlichting. Ze kan ook te maken hebben met de opkomst van andere disciplineringsmechanismen en de noodzaak voor de machthebbers om ten gevolge van veranderde sociale verhoudingen op een nieuwe, subtielere manier met macht om te gaan.

Publicaties:

'Lopen over het land: een "misdrijf" uit een voorbij verleden', in: Cultuurwijzer - Lopen over het land (webpagina) (12 maart 2003).
Summary.

'De landloper en het gerecht', in: K. Jansma en M. Schroor, Tweeduizend jaar geschiedenis van Gelderland, Leeuwarden 1986, p.229-233.
Summary. Het artikel is beschikbaar als Pdf.