(Beschrijving van afgerond onderzoeksproject)
|
Dit onderzoek werd verricht als afstudeerproject en is definitief afgesloten. De belangrijkste vraag was of de normen voor gevoelsuitingen door nabestaanden de afgelopen eeuwen veranderd waren, en zo ja, hoe dat te verklaren viel. Er werd een onderscheid gemaakt tussen de expliciete normen zoals men die in etiquette- en brievenboeken kon aantreffen, de praktijk van gevoelsuitingen in publieke bronnen als bidprentjes, rouwcirculaires, dankbetuigingen en lijkzangen, en tot slot de invloed van die normen en waarden op het privéleven voor zover men dat aan de hand van egodocumenten zou kunnen reconstrueren. Tevens werd onderzocht in hoeverre er effecten aan te wijzen waren van verschillen in persoonlijke variabelen als leeftijd, sekse, gezinssituatie en religieuse gezindte op de kwantiteit, intensiteit en soort van gevoelsuitingen (uitingen van lof, rouw, troost, of verwijzingen naar emotionele relatie met overledene). Hoewel persoonlijke variabelen wel enige invloed bleken uit te oefenen, waren de aangetoonde verbanden in het algemeen vrij zwak, mogelijk door onevenwichtigheden in de data-verzameling. Duidelijk werd wel dat de gevoelscodes voor nabestaanden vanaf de achttiende eeuw inderdaad ingrijpend veranderd zijn onder invloed van lange-termijnontwikkelingen als het civilisatieproces, toenemende rationalisering, secularisatie, privatisering en individualisering. Deze ontwikkelingen resulteerden niet alleen in het veelbesproken en inmiddels alweer geslechte 'taboe op de dood' maar ook in een veranderend mensbeeld en daarmee in een veranderende gevoelscultuur. In de achttiende eeuw oefende het beeld van de mens als dienaar van God nog een sterke invloed uit op de gevoelscodes voor nabestaanden, die zich zonder verzet zouden moeten neerleggen bij de wil van de Almachtige. In het begin van de negentiende eeuw daarentegen werd er tijdelijk ruim baan gemaakt voor de romantische mens die zijn rouw niet kon of hoefde te onderdrukken. Maar deze werd later in de negentiende eeuw geleidelijk verdrongen door het beeld van mens als rationeel denkend, handelend en beschaafd subject op wie heftige emoties of de dood geen vat mochten hebben om de door velen gekoesterde illusie van redelijkheid, beheersing en fatsoen niet te verstoren. Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw wordt van dit subject ook nog verwacht dat hij zijn identiteit en gevoelens op een authentieke en persoonlijke wijze tot uitdrukking weet te brengen, een ideaal dat voor velen onhaalbaar is. Publicaties:
'"Want ware zielesmart is niet woordenrijk". Veranderende gevoelscodes voor nabestaanden 1750-1988', in: Albert van der Zeijden (ed.), Cultuurgeschiedenis van de dood, Amsterdam 1990, p.84-114.
'In Memoriamteksten op bidprentjes. Een verkennend onderzoek naar de relatie met de gevoelens van de nabestaanden', in: Jaarboek van het Katholieke Documentatiecentrum Nijmegen 20 (1990), p.11-35 en tevens in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 33 (1991), p.11-35.
|