Bileam (hebreeuws bil'ām, oorspronkelijk waarschijnlijk amoritisch Jabil-'ammu), de zoon van Beor, afkomstig uit Pethor aan de Eufraat (Nm 22,5). Hij gold als bezitter van machtswoorden, die hij voor geld verkocht. Volgens het OTische verhaal huurde Balak, de koning van Moab, 'de man met het gesloten oog' (Nm 24,3) om het opdringende Israël te vervloeken. Hoewel het verhaal is opgenomen in de beschrijving van een periode van de uittocht, is het duidelijk dat het met het oog op de godsdienstige prediking bewerkingen heeft ondergaan. In Nm 22,24 wordt verkondigd dat de vervloeking van B. machteloos was tegenover de God van Israël. In de traditie werd B. hoe langer hoe meer de vijandige profeet die Israël tot afval trachtte te bewegen (vgl. Nm 31,16). Volgens Dt 23,4v (Neh 13,2) had hij de vervloeking ook werkelijk uitgesproken; Jahwe zelf echter had deze in zegen veranderd.
In latere joodse tradities geldt B. steeds als
verderver en verleider. In het NT wordt eveneens
ketterse leer als 'leer van B.' getypeerd (Openb 2,14;
vgl. Jud 11; 2Pt 2,15).
Lit. O. Eissfeldt, Die Komposition der B.-Erzählung
(Kleine Schriften 2, Tübingen 1963, 199-226). G. Vermes,
Scripture and Tradition in Judaism (Leiden 1961) 127-177.
[Beek]