Eva (hebr. ḥawwāh; LXX Εὔα; Vg Heva) is de naam, die aan de vrouw gegeven wordt na de uitdrijving uit het paradijs (Gn 3,20) en daarna nog slechts éénmaal bij de geboorte van Kaïn (4,1) in het gehele OT voorkomt; vgl. evenwel Job 8,8 en Sir 25,24. Bij de naamgeving wordt tegelijk een etymologie gegeven; zij is de 'moeder van alle leven'. Daarbij wordt gezinspeeld op een samenhang met de hebr. stam haajaah = leven. Daarmee kan alle leven bedoeld zijn en niet alleen dat der mensen; de targum heeft echter interpreterend vertaald: 'moeder van alle mensenkinderen', waarschijnlijk om het misverstand te voorkomen dat E. identiek zou zijn met de levensmoeder, personificatie van de scheppingskracht der aarde, die door niet-israëlitische volken als godin werd vereerd.
Reeds in de oudste exegese blijkt de bijbelse etymologie voor verschillende uitleg vatbaar. De LXX heeft in Gn 3,20 de naam E. weergegeven met ζωή, de Vetus Latina met vita, Symmachus geeft ζωογόνος. Hieronymus heeft in zijn Onomasticon drie mogelijkheden voor de etymologie opengehouden: leven, onheil en wee, met afleidingen van hebr. en aram. stamwoorden. Dit is door de middeleeuwse exegeten en scholastici herhaald. Moderne afleidingen rekenen met een hebr. of aram. herkomst en onderstellen dan een oorspronkelijke betekenis: leven, slang, tentdorp, vrouw, Heviet, of. met een oorsprong uit een andere taal, zoals b.v. het akkadisch en arabisch en komen dan tot 'moeder' en 'voortbrengster'. J. Heller meent dat de bijbelse verklaring de in de omgeving van Israël algemeen bekende levensmoeder bewust ontmythologiseert.
In het NT komt de naam E. voor in 1Cor 11,3 en
1Tim2,13. Paulus betoogt in dit verband dat de
man het hoofd is van de vrouw en legt de nadruk op
de volgorde in de schepping, waarbij de man voorging
terwijl de vrouw de eerste was die zich liet verleiden.
Een later opkomende typologie Eva-Maria
naast Adam-Christus werd echter door Paulus' leer
van de tweede Adam voorbereid.
Lit. J. Heller, Der Name Eva (ArOr 26, 1958, 636-656).
[Beek]