Jesaja

Jesaja (hebr. ješa'jāhū, Jahu is redding, grieks Ἠσαϊος, Vg Isaias), de zoon van Amos (hebr. 'ämòs, niet te verwarren met de profeet Amos), werd in het sterfjaar van Uzzia (738 vC) in een visioen geroepen (6,1) een zending als profeet van JHWH op zich te nemen. Hij aanvaardde de opdracht hoewel deze weinig kans op resultaat beloofde (6,10-11). Zo predikte hij tijdens de regering van Jotam, Achaz en Hiskia en maakte in die periode twee grote bedreigingen voor zijn stad mee: de coalitie-oorlog van Aram en Israël tegen Juda (735 vC) en het beleg van Jeruzalem door Sanherib (701 vC). Over zijn persoonlijke leven is weinig bekend. Evenals Hosea gaf hij aan zijn zonen symbolische namen als šear-jāšub (een rest keert terug of een rest bekeert zich) en māh#x113;r-šālāl-haš-baz (haastig-buit, ijlings-roof). Hij predikte ook door symbolische handelingen, zo ging hij drie jaar naakt en barrevoets als een teken voor Ethiopië en Egypte (20,2-4). Om het gezag van zijn profetieën te bevestigen liet hij ze in tegenwoordigheid van betrouwbare getuigen verzegelen, zodat ze na het uitkomen van zijn woorden geopend konden worden (8,1-2 en 16-20). Over zijn milieu is niets bekend, maar zijn woorden roepen een beeld op van het leven in de stad Jeruzalem.

Tijdens de bedreigingen heeft hij zijn volk vertroost, hoewel hij evenals Amos toornde tegen sociaal onrecht en met Hosea treurde over afval van JHWH, de Heilige Israëls. Zijn hoop wordt sterk bepaald door het geloof in de rest, die zich bekeert en daarom behouden blijft (10,20-27), zijn verwachting is gesteld op de messias uit Davids huis (9,1-6), die een vrede brengen zal waarin wk de dierenwereld deelt (11,1-10). Zijn prediking wordt gedragen door een vast geloof in de toekomst van zijn volk, uitverkoren door JHWH. Hij kan wel rampen brengen door de komst van de Assyriërs, maar hun macht is te vergelijken met die van 'een gehuurd scheermes' (7 ,20). Daarom staat hij een politiek voor van gelovige neutraliteit en verwerpt hij elk bondgenootschap met Egypte, 'de rietstok, die de hand doorboort van wie op hem steunen wil' (36,6 vgl. 30,117).

Over het einde van J. weten we niets, al zijn er latere overleveringen die spreken van een martelaarschap onder Manasse. Zijn boodschap werd in de kring van zijn leerlingen en van medestanders als Micha (Is 2,1-4 = Mich 4,1-3) bewaard.


Lit. M. Buber, Der Glaube der Propheten (Zürich 1950) 180-222. J. Steinmann, Le prophète Isaie. La vie, son oeuvre et som temps (Paris 1950). B. J. van der Merwe, Pentateuchtradities in die Prediking van Deuterojesaja (Diss. Groningen 1955). O. Loretz, Der Glaube des Propheten Isaias au das Gottesreich (ZThK 82, 1960, 40-73; 159-181). R. Martin-Achard, Sagesse de Dien et sagesse humaine chez Esaie (Hommage à W. Vischer 1960, 137-144). R. T. Anderson, Was Isaiah a Scribe? (JBL 79, 1960, 57v). C. Westermann, Das Heilswort bei Deuterojesaja (EvTh 24, 1964, 355-373). S. H. Blank, Prophetic Faith in Isaiah² (Detroit 1967). [Beek]


Afkortingen