Johannes, bisschop van Jeruzalem (386/387-417), volgde
Cyrillus op. Voordien was hij monnik in
de nitrische woestijn ten zuidwesten van Alexandrië.
Sedert 394 werd hij vanwege zijn verdediging van
Origenes
sterk aangevallen door Epiphanius van
Salamis en Hieronymus. De laatste schreef in 398
tegen hem het geschrift Contra Ioannem Hierosolymitanum.
Gennadius (De viris illustribus 31) vermeldt
van J. een geschrift Adversum obtrectatores
studii sui liber, dat wel identiek is met een in 397
aan Theophilus van Alexandrië gerichte verdediging
tegen de beschuldiging van origenisme. In
verband met de onduidelijke houding van J. inzake
het pelagianisme richtte
Orosius tegen hem een
Liber apologeticus.