Judas

Judas (Ἰούδας: grieks-latijnse vorm van Juda), eigennaam van verschillende bijbelse personen. De voornaamste zijn:

(1) Zie Makkabeeën.

(2) Judas Barsabbas; zie Barsabbas.

(3) Judas de Galileeër (Hand 5,37; Jos. Ant. 18,1,1.6; 20,5,2; Bell. 2,8,1; 2,17,8, 7,8,1; Eusebius, Hist. eccl. 1,5), schriftgeleerde uit Gamala in Gaulanitis. Na de afzetting van Archelaüs benutte hij de door de volkstelling van Quirinius ontstane ontstemming om een opstand uit te lokken. Volgens Hand 5,37 werd hij gedood en werd zijn aanhang verspreid. De beweging leefde voort in de partij der zeloten. De datering in Hand 5,37, na de opstand van Teudas (in 44 nC), is onjuist.

(4) Judas Iskariot, de enige niet-Galileeër onder de Twaalf, staat steeds aan het slot van de apostellijsten met de toevoeging 'die hem verried' (Mc 3, 19e.p.) of 'de verrader' (Lc 6,16). Zijn naam ontbreekt in de lijst van Hand 1,13. Zijn bijnaam Iskariot duidt waarschijnlijk op zijn geboorteplaats.

Hiervoor pleit de variant ἀπὸ Καρυώτου in Jo 6,71. Een andere verklaring leidt hem af van sicarius. Volgens Jo 6,71; 13,2.26 was hij de zoon van Simon. De oorzaak van zijn verraad lag volgens Jo 6,67-72 in zijn ongeloof; volgens Mc 14,3-11e.p. en Jo 12, 4-6 was zijn geldzucht het motief. In de laatste richting wijst ook het feit, dat hij Jezus verried voor dertig zilverlingen. De latere christenheid, voor wie dit verraad een pijnlijk probleem was, zag er het werk van de Satan in (Lc 22,3; Jo 6,71; 13,2.27; vgl. ActPt 8; ActThom 32). Even pijnlijk was de vraag, waarom Jezus dit niet voorzien had. Volgens Jo 6, 64 wist hij het van te voren en gaf hij zelfs de opdracht het verraad te volvoeren (Jo 13,27). Over de dood van J. bestaan twee verschillende berichten.

Volgens Mt 27,3-10 heeft hij zich verhangen. Hand 1,18 geeft een heel andere voorstelling van zaken: 'hij stortte voorover, barstte open en al zijn ingewanden kwamen eruit'. Reeds de Vg zoekt beide berichten te combineren door πρηνής (voorover) met suspensus te vertalen. Hand 1,18 is echter te beschouwen als een midrasj. Het woord πρηνής komt alleen nog voor in Wh 4,19, waar de ondergang van de goddeloze wordt beschreven. Hand 1,20 verwijst naar Ps 69,26; dezelfde psalm geeft verdere bijzonderheden: 'Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen' (vs 24). Tevens verwijst Hand 1,20 naar Ps 109, waar we lezen: 'Hij bekleedde zich met de vloek als een gewaad - die kome als water in zijn binnenste' (vs 18; vgl. Nm 5,21.27). Papias combineert deze gegevens door te verhalen, dat zijn lichaam zozeer opzwol, dat zijn ogen niet meer te zien waren. Tenslotte barstte zijn lichaam open en zijn ingewanden werden verstrooid (K. Aland, Synopsis 470). In Mt 27,3-10 zowel als Hand 1,19 wordt de dood van J. verbonden met een stuk land, Bloedakker genaamd. Hierboven een mozaïek met de Judaskus uit de San Apollinare Nuovo in Ravenna (6e eeuw nC).


Lit. K. Lüthi, Judas I. in der Geschichte der Auslegung (Zürich 1955). Id., Das Problem des Judas I. neu untersucht (EvTh 16, 1956, 98-114). B. Gärtner, Judas I. (Svensk Exeg. Aorsb. 21, 1956, 50-81). Id., Die rätselhaften Termini Nazoräer und Iskariot (Uppsala 1957). P. Benoit, La mort de Judas (Exégèse et Théol. 1, Paris 1961, 340-359). J. Hofbauer, Judas der Verräter (ThQ 109, 1961, 36-42). E. Schweizer, Zu Apg. 1, 16-22 (Neotestamentica, Zürich/Stuttgart 1963, 416v). J. Dupont, La destinée de Judas, prophétisée par David (Études sur les Actes des Apôtres, Paris 1967, 309-320).


(5) Judas Taddeüs, apostel, droeg een dubbele naam: J. (de broer) van Jacobus (Lc 6,16; Hand 1,13) en Taddeüs (Mt 10,3; Mc 3,18). De tweede naam is afgeleid van het aramese taddai (de moedige?) of hangt volgens anderen samen met Teodotos of Todaffeudas. In de oud-latijnse vertaling en codex D wordt hij Lebbeüs (Λεββαῖος) genoemd. Jo 14,22 onderscheidt hem uitdrukkelijk van J. Iskariot. Volgens oude overlevering (Tertullianus; Origines) zou hij dezelfde zijn als J. de 'broeder des Heren', schrijver van de Judasbrief. Eusebius (Hist. Eccl. 30, 20,1-5) deelt een bericht van Hegesippus mede, dat twee kleinzonen van J. tijdens Domitianus onder politieke verdenking naar Rome werden overgebracht, maar spoedig weer werden vrijgelaten. J. was toen (96 nC) zeker niet meer in leven. Verdere gegevens van de overlevering zijn onbetrouwbaar. [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen