Amen

(I) A. (hebreeuws 'āmēn: vast) komt in het OT als formule voor en dient als bevestiging van de wil of het woord Gods. In de cultische en sacrale ruimte is A. het antwoord van de gemeenschap of van de enkeling op een vervloeking (Dt 27 ,15-26) of een doxologie (Neh 8,6) en dan altijd in de betekenis: zo is het! (en) zo zij het! In de LXX wordt het meestal weergegeven met de optatief 'genoito' (zo zij het). In de gemeente van Qumran is A. de formule, waarmede de leden de zegen der priesters en de vloek der levieten aanvaarden. [Beek]

(II) In het NT is A. ofwel liturgisch slot van een gebed (1Cor 14,16; Openb 5,14; vgl. 1QS 1,20; 2,10. 18), en wel meestal na een doxologie (Rom 1,25; 9,5; 11,36; 15,33; 16,27 enz.); ofwel bevestigingspartikel aan het begin van een plechtige verzekering. In de laatste vorm komt A. alleen voor in de mond van Jezus (bij Jo steeds A.A.) en is het een kenmerk van authentieke woorden van de Heer, die zelf 'Amen' is (Openb 3,14; vgl. Js 65,16).


Lit. P. Glane (RAC 1, 378-380). W. Jannosch (RGG 1, 308v). H. Schlier (ThW 1, 339-342). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen