De a. vormden een gnostische richting,
verwant met de ophiten (zie Epiphanius, Adversus
haereses 40,1; Id., Anacephalaeon 40), genoemd
naar de archontes, de 'heersers' over de zeven planeten,
de gnostische hebdomade. De stichter zou
volgens Epiphanius een palestijns priester geweest
zijn (ca. 350). Een zelfstandige sekte schijnen de a.
echter niet gevormd te hebben: waarschijnlijk waren
ze geheel afhankelijk van egyptische sekten. Als geschriften
worden o.a. genoemd: de Grote en de
Kleine Symphonie, boeken onder de naam van Seth
en de Allogeneisboeken (Ἀλλογενεῖς, vreemden,
noemde men bij de a. de zeven zonen van Seth) en
het Ἀναβατικὸν Ἰησαΐα dat waarschijnlijk met gedeelten
van de bewaard gebleven Ascensio Isaiae
samenvalt. De leer van de a. is dualistisch. Tegenover
een goede transcendente wereld van de Vader
en de Moeder stond bij hen de tirannie van de
zeven lagere archonten over de ondermaanse wereld,
die niet door de hoogste god (de Vader) geschapen
is, maar door de zeven archonten met
Sabaoth. De a. waren vooral in Palestina en Armenië
verspreid.
Lit. H.-Ch. Puech (RAC 1, 633-643). - W. Anz, Zur Frage
nach dem Ursprung des Gnostizismus (TU 15, 4, Leipzig/Berlin
1897). E. de Faye, Gnostiques et gnosticisme² (Paris
[Bartelink]
1925).