Ban (hebreeuws herem: afzondering, afsnijding, in andere semitische talen ook 'heilig') is in het OT de wijding van iets of iemand aan het heilige, waardoor het object uitgesloten wordt uit het gewone leven en toevalt aan de priester of de godheid, als priesterinkomst (Nm 18,14) of ter vernietiging (Lv 27,29). De b. speelde een rol in de heilige oorlog. Wanneer een stad met de b. geslagen was, moest deze met alle levende wezens vernietigd worden.
Toen Achan zich vergreep aan het gebannene van
Jericho, bracht hij een doem over het gehele leger
van Israël (Joz 7); Saul, die tegen Amalek de b. niet
volledig had voltrokken, kwam daarom in conflict
met Samuel (1Sm 15). Volgens 1Kg 20, 35-43 eiste
een profeet van Achab, dat hij de b. zou voltrekken.
In Dt 7; 20, 15-18 worden voorschriften aangaande
de b. gegeven, die meer een theologische dan een
praktische betekenis hebben. Zij scherpen Israël in,
dat het ganse leven aan zijn God toebehoort. De
profeten gebruiken het woord b. dan ook algemeen
in overdrachtelijke zin (Is 43,28; Jr 51,3). Ook
in Moab was deze b. bekend (inscr. van Mesa;
ANET 320b).
Lit. C. H. W. Brekelmans, De Herem in het O.T. (Diss.
Nijmegen 1959). J. Hoftijzer (Dict. des Inscr. Sém. de l'Ouest,
s.v.). [Beek]