De oude christelijke schrijvers, levend in een wereld die beheerst werd door geloof aan geesten en demonen, baseerden zich in hun opvattingen over de e. op de gegevens welke hierover in de bijbel te vinden zijn en bouwden hierop verder. Veelal vinden wij niet meer dan verspreide opmerkingen.
Een afzonderlijk werk over de e. bezitten wij eerst in De caelesti hierarchia van Ps.-Dionysius Areopagita (einde 5e eeuw). Wij weten niet of Clemens van Alexandrië het werk over de e. dat hij blijkens Strom. 6,3 van plan was te schrijven inderdaad geschreven heeft.
De e. werden door de christelijke auteurs beschreven als dienaren van God, in rang verheven boven de mensen en in het bezit van een hoger wezen, beschikkend over vrije wil, als pneumatische wezens, die soms toch tot op zekere hoogte stoffelijk gedacht werden (met een etherisch lichaam), die als taak hadden God te aanbidden, zijn bevelen aan de mensen over te brengen en over de wereld en de mensen te waken. Uitdrukkelijk werd gezegd dat de e. door God zijn geschapen, maar betreffende het tijdstip van hun schepping bestond geen zekerheid (gewoonlijk werd aangenomen dat ze waren geschapen vóór de stoffelijke wereld). Een deel van de e. was van God afvallig geworden (volgens Tertullianus en Origenes konden ook de goede e. naderhand nog zondigen), en bracht als boze geesten de mensen tot zonde. Deze gevallen e. waren speciaal verantwoordelijk voor afgodendienst, toverij, astrologie, mantiek, bezetenheid en ook voor de christenvervolgingen. Ze poogden de mens te schaden, maar waren door Christus overwonnen en konden in Christus' naam worden bezworen.
In de eerste eeuwen van het christendom was de
gedachte van bescherm-e. van de volken algemeen
gangbaar (uitgaande van Dt 32,8). Er waren ook
e. die de afzonderlijke mensen bewaarden, hun gebeden
overbrachten naar God en de zielen van de
gestorvenen geleidden; v.s. waren er ook bewaar-e.
van dieren, planten en elementen. Uitgaande van
Eph 1,21 en Col 1,16 (die men als onvolledig beschouwde)
nam men een reeks van klassen van e.
aan (soms 7, soms 8; naderhand sloot men zich algemeen
bij Ps.-Dionysius Areopagita aan: 3 triaden).
Meermalen toonde men zich echter zeer gereserveerd
betreffende de hiërarchie van de e.-koren als
ook het aantal e. (vgl. Augustinus, Enchiridion 58).
In de oudste vaderteksten is nergens sprake van gevleugelde
e., aanvankelijk evenmin in de christelijke
kunst (toch komen in de bijbel wel beschrijvingen
van gevleugelde e. voor, bv. Ex 25,20, Dn 9,21,
Openb 14,6). Gewoonlijk werden ze uitgebeeld als
jeugdige mannen in een wit gewaad. Eerst in de late
keizertijd vinden wij naar het voorbeeld van de
profane Victoriae en gevleugelde Genii e. met vleugels
uitgebeeld.
Lit. J. Turmel, Histoire de l'angélologie des temps apostoliques
à la fin du Ve siècle (Rev. d'hist. et de litt. relig. 3,
1898, 289-308; 407-434; 533-552). F. Andres, Die Engellehre
der griechischen Apologeten des 2. Jahrhunderts und ihr
Verhältnis zur griechisch-römischen Dämonologie. Forschungen
zur christlichen Literatur- und Dogmengeschichte 12,3
(Paderborn 1914). Id., Die Engel- und Dämonenlehre des
Klemens von Alexandrien (Römische Quartalschrift 34, 1926,
13-27; 129-140; 307-329). J. Barbel, Christos Angelos. Die
Anschauung von Christus als Bote und Engel in der gelehrten
und volkstümlichen Literatur des christl. Altertums
(Theophaneia 3; Bom 1941). W. G. Heidt, Angelology of
the O.T. A Study in Biblical Theology (Washington 1949).
H. Bietenhard, Die himmlische Welt in Urchristentum und
Spätjudentum (Wissensch. Untersuch. z. N.T. 2, Tübingen
1951). J. Daniélou, Les anges et leur mission d'après les
Pères de l'Église (Coll. Irénikon N.S. 5, Chevetogne 1951).
P. Athanas Recheis, Engel, Tod und Seelenreise. Das Wirken
der Geister beim Heimgang des Menschen in der Lehre
der Alexandrinischen und Kappadokischen Väter (Temi e
Testi 4, Rome 1958). [Bartelink]