Jesaja (Martelaarschap en Hemelvaart van, latijn Martyrium et Ascensio Isaiae) is de gemeenschappelijke titel van drie geschriften, die bewaard zijn gebleven in ethiopische, griekse, latijnse, koptische en oud-slavische vertalingen van fragmenten. Het 'martelaarschap van J.' is oorspronkelijk in het hebreeuws geschreven. Uitgaande van 2Kg 21,1-18 wordt verteld hoe de profeet met een kleine aanhang in de woestijn gevlucht is, maar door toedoen van de leugenprofeet Belchira gevangen genomen en op last van Manasse doormidden gezaagd wordt. Terwijl de leugenprofeten lachend toezien volhardt J. in zijn vroomheid. Het verhaal is een typische martelaarslegende waarop misschien Hb 11,37 zinspeelt, maar die in elk geval reeds door Origenes is gekend. Opvallend is thans een verwantschap met de inhoud van de geschriften van de Qumrangemeenschap.
De 'hemelvaaart van J.' beschrijft hoe de profeet in een visioen opstijgt door de zeven hemelen totdat hij aankomt voor de troon van de Allerhoogste. Hij verneemt hoe Christus de opdracht krijgt naar de aarde af te dalen en ziet zijn geboorte, kruisiging en opstanding. Dit geschrift stamt uit christelijke kringen in de 2e eeuw nC.
Tussen 'martelaarschap' en 'hemelvaart' is een fragment
toegevoegd dat een profetie van J. bevat over
het komen van Jezus, het stichten van de kerk, het
optreden van Belial en het laatste oordeel. Ook dit
is uit christelijke kring van omstreeks 100 nC.
Lit. Kautzsch Apokr. I (W. Rothstein 226/9). Charles Apocr.
I (C. J. Ball 596-611). Riessler Schrifttum 481/4, 1300/1. J.
Flemming-ii. Duensing (NT Ap. 2, 1964, 454-468). - D. Flusser,
The Apocryphal Book of the Ascensio Isaiae and the
Dead Sea Sect (IEJ 3, 1953, 30-47). Schürer 3, 386-393.
[Beek]