Jud is gericht 'aan de geroepenen die in God de Vader geliefd en voor Jezus Christus bewaard zijn' (vs 1), met welke algemene uitdrukking niet alle christenen, maar een bepaalde groep bedoeld zijn, zonder dat het geheel duidelijk is of dit christenen uit het jodendom (OTische citaten, kennis van joodse apocriefen en legende) dan wel uit het heidendom zijn (de libertinistische dwaalleraars). Misschien moeten de lezers in de diaspora gezocht worden. De brief wil de mensen waarschuwen voor een kleine groep indringers, christenen, die door hun valse leer over Christus en de hemelse machten en hun libertinistisch leven een gevaar vormen voor hun geloof, en gewoonlijk als antinomistische gnostieken gekenmerkt worden. De schrijver herinnert aan de strafgerichten die over zulke dwaalleraars in het verleden gekomen zijn en zegt dat ook deze indringers wier komst door de apostelen voorzien is, een strafgericht wacht. Daarbij maakt de schrijver gebruik van het apocriefe boek Henoch en misschien ook van de Assumptio Mosis, en dit zal de reden zijn waarom aan de canoniciteit van Jud door vele kerken getwijfeld werd. Tegen het einde van de 2e eeuw was Jud evenwel in de kerken van Rome, Carthago en Alexandrië erkend (Can. Mur.; Tert.; Clem. Alex.; Orig.).
De schrijver noemt zich 'broer van (een bekend veronderstelde)
Jacobus', waarmee alleen de broeder
des Heren, Jacobus (de jongere) bedoeld kan zijn
(Jacobus).Of hij dezelfde
is als J. Taddeüs,
eveneens een broer van Jacobus, wordt ook door
katholieken betwijfeld; hij moet dan apostel geweest
zijn en schijnt zich juist in vs 17 daarvan te
onderscheiden. Omdat 2Pt afhankelijk is van Jud,
hangt de datering van Jud af van de echtheid van
2Pt. Is deze brief inderdaad door Petrus geschreven
(hetgeen ook van katholieke zijde betwijfeld wordt),
dan moet Jud vóór de dood van Petrus ontstaan
zijn; in het andere geval kan men, zoals ook van
katholieke zijde gebeurt, de brief tussen de jaren
70 en 80 dateren.
Lit. Commentaren: J. Feiten (Regensburg 1928). W. Vrede7
(Bonn 1932). J. Chaine (Paris 1939). P. Ketter (Freiburg
1950). K. H. Schelkle (ib. 1964). R. Knopf 7 (Göttingen 1912).
M. R. James (Cambridge 1913). H. Hollmann/W. Bousset³
(Göttingen 1917). G. Wohlenberg³ (Leipzig/Erlangen 1923).
J. Willemse² (Groningen/Den Haag 1924). J. Moffat (London
1947). S. Greydanus (Kampen 1935). B. Reieke (New
York 1964). J. B. Mayor (Gr. Rapids 1965). E. M. Sidebottom
(London/Edinburgh 1967). - R. Leconte (DES 4, 1285-1298).
F. Maier, Der Judasbrief. Seine Echtheit, Abfassungszeit
und Leser (BSt 11, 1-2; Freiburg 1906). Id., Zur Erklärung
des Judasbriefes (BZ 2, 1904, 377-397). H. Werdemann,
Die Irriehrer des Judas und 2. Petrusbriefes (Güttersloh
1913). K. Pieper, Zur Frage nach den Irrlehern des Judasbriefes
(NTische Untersuchungen, Paderborn 1939, 66-71).
A. M. Dubarle, Le péché des anges dans l'Épitre de Jude
(Mém. Chaine, Lyon 1950, 145-148). K. H. Schelkle, Der
Judasbrief bei den Kirchenvätern (Abraham unser Vater,
Festschr. Michel, Leiden/Köln 1963, 405-416). M. de Jonge,
De nieuwtestamenticus als historicus en theoloog. Enige opmerkingen
n.a.v. de Brief van Judas (Leiden 1966). I. J. du
Plessis, The Authorship of the Epistle of Jude (Biblical Essays,
Potchefstroom 1966, 191-199).
[Bouwman]