Judit (Boek)

Het boek Judit (hebr. jehūdīt = de joodse) is een oorspronkelijk in het hebreeuws geschreven maar in het grieks overgeleverd verhaal. Het is niet opgenomen in de door de rabbijnen van Jamnia vastgestelde canon en wordt daarom gerekend tot de deuterocanonieke of apocriefe boeken. Het wordt door het NT niet geciteerd.

De hoofdrollen worden gespeeld door Holofernes en J. De eerste is een veldheer in dienst van Nebukadnezar. Op zijn veldtocht stoot hij door tot Betylia, ergens in de vlakte van Jizreël. Wanneer de belegerde en van watertoevoer afgesneden stad in een wanhopige positie verkeert, biedt een weduwe, J. haar diensten aan. Zij dringt door in het vijandige legerkamp, weet het vertrouwen van Holofernes te winnen en zijn begeerte te wekken. Wanneer zij alleen is met de dronken veldheer slaat ze hem het hoofd af. De belegerden doen nu een uitval en drijven de vijand op de vlucht. J. wordt door de hogepriester naar Jeruzalem gebracht en is daarna tot op hoge leeftijd getuige van de rust in het land. De verteller van het verhaal is van een vermoeiende breedsprakigheid.

Het verhaal is niet historisch in de beperkte zin van het woord en wil dat, gezien de vele opzettelijk aangebrachte onwaarschijnlijkheden, ook niet zijn. De geestelijke achtergrond wordt gevormd door een streng farizeïsme. De verteller heeft gebruik gemaakt van bekende motieven in het OT: J. is een parallel van Jaël (Ri 4,17-22), de met goddelijke pretenties optredende Nebukadnezar is ontleend aan Dn 4, de tegenstelling tussen het machtige Nineve en het onaanzienlijke Betylia is een illustratie van het bekende thema, dat de God van Israël zich zegevierend manifesteert door middel van menselijke zwakheid.

De schrijver van het boek is, zoals gewoonlijk bij dergelijke literatuur, niet te identificeren, evenmin bestaat zekerheid aangaande de tijd van ontstaan. Het felle nationalisme waarvan het boek getuigt doet denken aan de Makkabeeën, maar er komt ook een verholen kritiek op hun machtspolitiek tot uiting. Het meest waarschijnlijk is een datering omstreeks het einde van de 2e eeuw vC.


Lit. Commentaren: A. E. Cowley (Charles, Apocr. 1, Oxford 1913, 243-267, herdr. 1963). M. Löhr (E. Kautzsch, Apokr. u. Pseudepigr. des A.T., Leipzig 1900, 147-164). F. Stummer (Würzburg 1954). A. Barucq² (Paris 1959). - A. M. Dubarle, Judith, Formes et sens des diverses traditions (Rome 1966). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen