Pastorale brieven

Pastorale brieven (afk. P.)

(I) Algemeen.

(A) De P. van de apostel Paulus omvatten de 1e en 2e brief aan Timotheüs (afk. Tim) en de brief aan Titus (afk. Tit); ze zijn zo genoemd, omdat ze hoofdzakelijk handelen over 'herderlijke' aangelegenheden: aanwijzingen voor de zielzorger, bestrijding van ketterijen en organisatie van de gemeente. Zij zijn gericht aan twee van Paulus' intiemste medewerkers, Timotheüs en Titus, die resp. te Ephese en op Kreta waren aangesteld (1Tim 1,3; Tit 1,5). Het zijn echter geen persoonlijke brieven, maar in hoofdzaak herderlijke stukken, die tevens bedoeld zijn voor de gemeenten waarover de beide geadresseerden zijn aangesteld. De toon is dan ook vrij onpersoonlijk, alleen 2Tim bevat enige persoonlijke mededelingen. De brieven vertonen een duidelijke onderlinge verwantschap in vorm en inhoud, waardoor zij zich tevens van de overige paulinae onderscheiden. Zij horen dus thuis in dezelfde periode, die wegens het verschil met oudere brieven zo laat mogelijk geplaatst dient te worden.

(B) Inhoud. Afgezien van persoonlijke vermaningen houden de P. zich vooral bezig met twee punten: bestrijding van dwalingen en organisatie van de gemeente.

1. De dwalingen hebben duidelijk een binnenkerkelijk karakter (1Tim 1,3v; Tit 1,10; 2Tim2,18). Verder vertonen zij joodse trekken: Tit 1,14 spreekt van joodse fabels en menselijke instellingen (reinheidswetten?). Er wordt gewaarschuwd tegen speculaties over geslachtslijsten (1Tim-1,4; Tit 3,9) en tegen disputen over de wet (1Tim 1,7v; Tit3,9). Daarnaast vertoont de ketterij dualistische tendenties (1Tim 4,3; 2Tim 2,18), die op een vroege vorm van gnosticisme kunnen wijzen. Blijkbaar hebben we dus te maken met een vorm van joods-christelijk syncretisme, die verwant is met de dwaling van de Col.

2. In de strijd tegen de opkomende dwalingen besteden de P. vooral aandacht aan het kerkelijk ambt en de daarmee samenhangende leertraditie. De ambten die genoemd worden zijn: opzichter (bisschop) in 1Tim 3,1-7 en Tit 1,5-9, ouderling (presbyter) in 1Tim 5,17.19 en Tit 1,5, diaken (1Tim 3, 8-13) en wellicht ook diakones (1Tim 3,1 1: zou ook de vrouw van de diaken kunnen zijn). Tenslotte spelen ook de weduwen een rol in het kerkelijk leven (1Tim 5,3-16).

(C) De echtheid van de P. is een zeer omstreden zaak. Door de traditie worden ze niet minder bevestigd dan de overige brieven, maar dit kan een gevolg zijn van hun 'kerkelijke' inhoud. Ze ontbreken alleen op de canon van Marcion. De bezwaren zijn meer van interne aard. De voornaamste zijn:

1. De taal. Ongeveer 1/3 van de totale woordenschat (848 : 305) komt in de overige brieven niet voor. Dit percentage is evenwel niet hoger dan in Rom, terwijl in een kleinere brief het aantal verschillende woorden relatief hoger moet zijn. Een aantal hapax legomena is bovendien van toevallige aard (mantel, perkament, maag, grootmoeder) en staat juist in die stukken die wegens hun zeer persoonlijke aard ook door tegenstanders van de echtheid als delen van authentieke brieven worden beschouwd (1Tim 5,23; 2Tim 4,13). Literaire analyse is steeds een dubieus argument, omdat we te weinig weten van de taak die de schrijver resp. secretaris in de oudheid had.

2. De hiërarchie schijnt een later stadium van ontwikkeling te weerspiegelen, waarin de ambten van bisschop, priester en diaken reeds duidelijk afgebakend zijn en het bisschopsambt monarchisch is (1Tim 3, ; Tit 1,7), wat doet denken aan de tijd van Ignatius (ca. 100). Het is echter zeer waarschijnlijk dat de organisatie van het kerkelijk leven zich op de verschillende plaatsen volgens diverse modellen en in een verschillend tempo heeft ontwikkeld, zodat ook dit criterium weinig betrouwbaar is. Bovendien schijnen de ambten van opziener en ouderling in P. nog dooreen te lopen: de opzieners van 1Tim 3,2-7 zijn waarschijnlijk dezelfde personen als de ouderlingen van 5,17v, want voor de laatste categorie wordt geen afzonderlijke deugdenlijst gegeven. De P. vertonen geen duidelijke pseudepigrafische trekken. De namen van bekende personen uit oudere brieven ontbreken. De voorzichtige conclusie van Klijn luidt dat men niet met absolute zekerheid kan bewijzen dat de P. niet paulinisch zijn. De beschrijving van de kerk, de situatie en het geloof doen evenwel vermoeden dat men hier met na-paulinisch werk te maken heeft.

(II) Aanleiding van de afzonderlijke brieven.

(1) 1Tim. Ofschoon Paulus van plan is spoedig naar Ephese te komen, schrijft hij toch alvast een brief, voor het geval zijn reis vertraging mocht ondervinden (3,14; 4,13).

(2) Tit. Paulus is van plan te Nicopolis te overwinteren. Hij gelast Titus zich gereed te houden om op nader bericht daarheen te vertrekken (3,12).

(3) 2Tim. Het feit dat Paulus opnieuw gevangen genomen is, heeft Timotheüs blijkbaar sterk aangegrepen. Hij heeft niet meer de moed een evangelie te verkondigen, dat zijn belijders slechts schande en vervolging brengt. In een hartelijke brief, die als het ware zijn geestelijk testament is, tracht de apostel zijn beminde leerling inzicht te geven in het mysterie van het lijden.


Lit. C. Spicq (DES 7, 1-73). K. Grayston/G. Herdan, The Authorship of the Pastorals in the Light of Statistical Linguistics (NTS 6, 1959/60, 1-15). J. Jeremias, Zur Datierung der Pastoralbriefe (ZNW 52, 1961, 101-104). H. Binder, Die historische Situation der Pastoralbriefe (Festschr. F. Müller, Stuttgart 1967, 84-107). A. T. Hanson, Studies in the Pastoral Epistles (London 1968). A. Strobel, Schreiben des Lukas? Zum sprachlichen Problem der Pastoralbriefe (NTS 15, 1968/69, 191-210).

Commentaren: B. S. Easton (London 1948). A. Boudou (Paris 1950). J. Reuss (Würzburg 1952). J. Keulers² (Roermond 1954). E. K. Simpson (London 1954). W. Hendriksen (Grand Rapids 1957). E. L. Smelik (Nijkerk 1961). A. Schlatter (Stuttgart 1962). C. K. Barrett (Oxford 1963). J. Jeremias (Göttingen 1963). G. Holtz (Berlin 1965). M. Dibeliusli-i. Conzelmann (Tübingen 1966). C. R. Erdman (Philadelphia 1966). A. T. Hanson (London/New York 1966). Th. C. de Kruijf (Roermond 1966). H. Ridderbos (Kampen 1967). F. J. Schierse (Düsseldorf 1968). N. Brox (Regensburg 1969). C. Spicq (Paris 1969). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen