(I) Eerste brief (afkorting 1Pt).
(A) Inhoud en indeling. 1Pt is een troostbrief in de moeilijke tijden die de geadresseerden meemaken. Zij zijn blijkbaar heiden-christenen die gebroken hebben met hun vroegere leefwijze en daarom door de maatschappij waartoe zij vroeger behoorden worden lastig gevallen en belasterd. De schrijver wijst op de belangrijke beslissing die zij bij hun doop genomen hebben. Ze zijn vrijgekocht door het bloed van Christus (1,13-35) en moeten zich beschouwen als dragers van een heilig priesterschap (2,1-10) en niet bevreesd zijn voor het lijden (3,13-4,19). Uit de aard van het schrijven volgt dat de brief geen duidelijke indeling heeft. Er ligt wel een caesuur achter de doxologie van 4,11, waaruit sommige auteurs besluiten dat het voorafgaande een doopcatechese is of tenminste materiaal daaruit heeft verwerkt. In dit opzicht lijkt de brief op Eph, waarmee hij ook op andere punten verwant is (vgl. de 'huistafels' in 2,18-3,7 met Eph 5,22-6,9).
(B) Ontstaan. In 1,1 wordt Petrus de schrijver genoemd (vgl. 5,1). Op grond hiervan neemt de traditie algemeen Petrus als auteur aan. Tegen dit auteurschap wordt aangevoerd dat 1Pt in goed grieks is geschreven, wat men van een visser uit Galilea niet zou verwachten. Voorts vertoont de brief sterke verwantschap met de brieven van Paulus, vooral met Eph. Deze bezwaren zijn niet doorslaggevend. De brief is geredigeerd door Silvanus (5,12), juist omdat de schrijver zelf het grieks niet goed machtig schijnt te zijn. Deze Silvanus heeft lange tijd in het gezelschap van Paulus vertoefd (Hand 16,19.25.29; 17,4.10.15; 18,5; 2Cor 1,19; 1Th 1,1; 2Th 1,1). De verwantschap met Eph is te verklaren uit het feit dat beide brieven liturgisch materiaal verwerken.
Geadresseerden zijn volgens 1,2 'de vreemdelingen
in de Verstrooiing van Pontus, Galatië, Cappadocië,
Azië en Bithynië'. Zij hebben een heidens verleden
(1,14.18; 2,9; 4,3). Met 'vreemdeling' is wel bedoeld
dat de christen een vreemde is in deze wereld. Als
de brief door Petrus geschreven is, moet hij tegen
het einde van zijn leven ontstaan zijn, dus in het
begin van de zestiger jaren. Als plaats van ontstaan
wordt 'Babylon' opgegeven (5,13). Evenals in Openb
14,8 en 18,2 zal daarmee wel Rome bedoeld zijn,
waar Petrus volgens
de traditie de marteldood onderging.
Lit. E. Fascher (RGG 5, 257-260). B. Hemelsoet (BW3 1154v).
- W. C. van Unnik, De verlossing in 1Pt 1,18-19 en het probleem
van den eersten Petrusbrief (Amsterdam 1942). G.
Thils, L'enseignement de St-Pierre³ (Paris 1943). E. Lohse,
Paränese und Kerygma im 1Pt (ZNW 45, 1954, 68-89). C. F.
D. Moule, The Nature and Purpose of 1Peter (NTS 3, 1956/
1957, 1-11). M.-E. Boismard, Quatre hymnes baptismales dans
la 1ère Epître de Pierre (Paris 1961). T. C. Thornton, 1Peter,
a Paschal Liturgy? (JTS 12, 1961, 14-26). CL-H. Hunzinger,
Babylon als Deckname für Rom und die Datierung des 1.
Petrusbriefes (Festschr. Hertzberg, Göttingen 1965, 66-77).
Commentaren: F. Wright (London 1947). E. Schweizer²
(Zürich 1949). E. G. Selwyn³ (London 1949). H. Windisch/
H. Preisker³ (Tübingen 1951). J. Keulers² (Roermond 1956).
A. M. Hunter (New York/Nashville 1957). W. E. Newell
(London 1959). A. M. Stibbs/A. F. Walls (London 1959).
R. Lecontre² (Paris 1961). J. Schneider (Göttingen 1961).
H. Bolkestein (Nijkerk 1963). K. H. Schelkle² (Freiburg
1964). C. Spicq (Paris 1966). A. R. Leany (London/New York
1967). J. Michl² (Regensburg 1968). J. N. D. Kelly (London/New
York 1969). F. W. Beare² (Oxford 1970).
(II) Tweede brief (afkorting 2Pt).
(A) Inhoud. 2Pt is geschreven onder de indruk van het uitblijven van de parousie (wederkomst). De vermaning tot volharding (hoofdstuk 2) en de zekerheid van de wederkomst (3,1-16) vormen de hoofdinhoud van de brief.
(B) Ontstaan. 2Pt beklemtoont sterk het auteurschap
van de apostel Petrus (1,1.14.16-18; 3,1), wat alleen
reeds de verdenking wekt dat we met een pseudepigrafisch
geschrift te doen hebben. Verdere bezwaren
tegen de echtheid zijn de sterke afhankelijkheid
van de Judasbrief, een geschrift dat moeilijk
vóór 70 ontstaan kan zijn, en het verschil in taal
en inhoud ten opzichte van 1Pt. Uit 3,15v blijkt
voorts dat de brieven van Paulus reeds verbreid zijn
en tot de Schrift behoren, wat rond 60 nog niet het
geval kan zijn. Vandaar dat reeds in de oudheid
twijfels bestonden aangaande de echtheid (en de
canoniciteit). De brief stamt waarschijnlijk uit de
derde generatie van het christendom, toen de eschatologische
verwachting begon te verslappen.
Lit. Zie sub I. Voorts U. Holzmeister, Vocabularium secundae
epistolae S. Petri erroresque quidam de eo divulgati (Bb
30, 1949, 339-355). E. Käsemann, Eine Apologie der urchristlichen
Eschatologie (ZThK 49, 1952, 272-296). G. H.
Boobyer, The Indebtedness of 2Peter to 1Peter (Memorial
Manson, Manchester 1957, 34-53). A. Strobel, Untersuchungen
mm eschatologischen Verzögerungsproblem (Leiden 1961).
Commentaren: Zie sub I. Voorts J. Chaine (Paris 1939). O.
Knoch (Düsseldorf 1967). M. Green (Grand Rapids/London
1968). [Bouwman]