Rabbi (hebreeuws: 'mijn leraar, mijn meester'), vanaf
ca. 70 nC titel van joodse, door studie en ordinatie
gekwalificeerde, schriftgeleerden, in het bijzonder
van de Tannaim en de palestijnse Amoraim (Talmud).
In Babylonië sprak men van Rab.
Lit. E. Lohse, ThW s.v. 'rhabbi'.
[Hoogewoud]