Refaïm

Refaïm (hebreeuws refā'īm), naam die in het OT in twee, misschien met elkaar verband houdende betekenissen voorkomt.

(1) Als naam van een der bevolkingsgroepen die oudtijds Palestina zouden hebben bewoond. Ze worden enige malen in één adem met de andere vroegere bewoners van het land vermeld, maar als bijzonderheid geldt hun reusachtige lengte. De ijzeren rustbank van Og, koning van Basan, de laatste der R., was volgens Dt 3,11 een bezienswaardigheid in Rabba der Ammonieten. 2Sm 21,16 maakt gewag van het kolossale gewicht van de wapenrusting van één der R., die als kampvechter voor de Filistijnen optrad. Maar in het algemeen wordt het Overjordaanse als verblijfplaats verondersteld van de R., die in LXX en Vg verschillende malen als 'giganten' worden betiteld (Gn 14,5; Joz 12,4; 13,12; 1Kr 11,15; 14,9).

(2) Als benaming van de geesten der doden (Is 14,9; 26,14.19; Ps 88,11; Job 26,5; Spr 2,18; 9,18; 21,16). Misschien is het woord oorspronkelijk gebruikt voor de heroën van de oertijd, die nadat zij overleden waren nog als schenkers van vruchtbaarheid vereerd werden. In dat geval kan er verband zijn met het hebreeuws werkwoord raafaa' voor genezen. In ugaritische teksten worden rp'um vermeld en daaronder worden afstammelingen van een koninklijk geslacht verstaan. Is 14,9 roept het beeld op van de onderwereld, waarin de R. in beroering komen wanneer ook de koning van Babel daarheen moet afdalen. Hier ligt de nadruk op de groten der aarde van eertijds die nu in het schimmenrijk vertoeven, maar de wijsheidsliteratuur gebruikt het woord R. voor schimmen in het algemeen. Dezelfde betekenis wordt verondersteld in een inscriptie op het graf van koning Tabnit van Sidon, een vervloeking van een eventuele grafschenner: 'moge er voor jou geen rustplaats zijn bij de R.'.


Lit. I. Gray, The Legacy of Canaan² (Leiden 1965) 120, 130, 187. [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen