Synoptische kwestie

Synoptische kwestie, de vraag naar de onderlinge literaire afhankelijkheid van de drie eerste evangeliën. De vraag spruit voort uit de eigenaardige mengeling van overeenkomst en verschil (concordia discors) in deze drie evv. Dat drie verhalen over eenzelfde gebeuren onderling van elkaar verschillen, is niets bijzonders. Evenmin is er sprake van een probleem, wanneer drie verslagen zozeer op elkaar lijken dat onderlinge afhankelijkheid niet uitgesloten kan worden. Maar de combinatie van beide feiten vormt een bijna onoplosbaar probleem. Immers, wanneer de gelijkenis, al is het maar in enkele onderdelen, zo groot is dat er afhankelijkheid moet zijn, dan rijst de vraag waarom die er voor de rest dan niet is. De overeenkomst zit op de eerste plaats in de volgorde van de perikopen, die niet verklaard kan worden uit de historische gang van zaken, omdat de opbouw duidelijk kunstmatig is. Deze gelijkenis in de bouw is zodanig dat de drie verhalen in kolommen overzichtelijk naast elkaar geplaatst kunnen worden (synopsis). Een dergelijke synopsis werd het eerst vervaardigd door J.J. Griesbach (1776). Voorts is er soms een bijna letterlijke overeenkomst in de onderdelen. Zo komen van Mc ca. 600 vss overeen met Mt (op een totaal van 661 vss), waarvan 8 woordelijk, en 350 met Lc, waarvan 3 woordelijk. Tussen Mt en Le zijn ca. 235 vss gelijk, waarvan 6 woordelijk. Geen enkel vers komt in alle drie woordelijk overeen.

Voor een deel is deze overeenkomst te herleiden tot de mondelinge traditie, die aan de schriftelijke neerslag voorafging. Deze hypothese, die afkomstig is van J.G. Herder (1797), verklaart voldoende de overeenkomst in opbouw, maar niet of nauwelijks de woordelijke overeenkomst. Een tweede bijdrage tot oplossing van het probleem is de diëgesen-hypothese van F. Schleiermacher (1817), volgens welke er tussen de mondelinge traditie en de volledige geschreven evv een groot aantal kleinere verzamelingen (diëgesen of essays) hebben gecirculeerd, zoals een bundel wonderverhalen, een verzameling parabels, enz. Dit verklaart voldoende èn de verschillen èn de overeenkomst in de diverse verhalen. In combinatie met de traditie-hypothese kan zo een groot aantal verschijnselen verklaard worden. Er zijn echter gevallen waarin schriftelijke afhankelijkheid niet uitgesloten kan worden, wanneer men bv. aan kan tonen dat één evangelist duidelijk de ander gecorrigeerd heeft. Zo veranderen Mt en Lc het volkse κράβατος (bed) van Mc 2,4 in het elegantere κλίνη. Deze hypothese van de onderlinge afhankelijkheid is tegenwoordig algemeen geaccepteerd, maar hoe de verbindingslijnen precies lopen is een zeer omstreden zaak. Dit komt omdat er een serieuze mogelijkheid bestaat dat de tegenwoordige evv een vroegere editie hebben gekend, die intussen verloren gegaan is. Zo spreekt de traditie (Papias) van een arameese Mt (waarvan dan weer een of meer griekse vertalingen bestaan hebben). Sommigen nemen een oer-Mc of een proto-Lc aan, enz. Daarmee is de gang van zaken praktisch niet meer te reconstrueren.

Enkele feiten staan intussen met vrij grote zekerheid vast. In 1835 stelde C. Lachmann vast dat Mt en Lc in de volgorde overeenkomen waar zij dezelfde stof hebben als Mc, terwijl zij voor de rest eigen wegen gaan. Zij schijnen dus beiden afhankelijk te zijn van Me en onderling onafhankelijk. Die onderlinge onafhankelijkheid van Mt en Lc blijkt het duidelijkst in de kindheidsevangelies, die nauwelijks raakpunten hebben. Toch komen Mt en Lc in de niet-Marcus-stof soms woordelijk overeen, met name in de weergave van de woorden van Jezus (bv. Mt 10,2633 = Lc 12,2-9). Daarom neemt men aan, dat Mt en Lc behalve Mc nog een tweede gemeenschappelijke bron moeten hebben gehad (Q = Quelle), die hoofdzakelijk logia bevatte en die sommigen identificeren met (een vertaling van) het arameese Mt-ev. Deze 'Zweiquellenhypothese' is tegenwoordig de meest gangbare. Zij verklaart niet alle verschijnselen even bevredigend, maar is als werkhypothese een bruikbaar uitgangspunt. De laatste tijd valt een revival waar te nemen van de hypothese van Griesbach, die aannam dat Lc afhankelijk is van Mt, en Mc van Mt en Lc. Men belicht daarbij vooral het hypothetisch karakter van de twee-bronnen-theorie, zonder te beseffen dat de eigen uitgangspunten even hypothetisch zijn.


Lit. Synopsen: A. Huck/H. Greeven (Tübingen 1981). B. de Solages (Leiden 1959). K. Aland (Stuttgart 1963, 1967). P. Benoit/M.-E. Boismard 1-2 (Paris 1965-1972).
Studies: In diverse algemene inleidingen op het NT. - L. Vaganay, Le problème synopti ue (Paris/Tournai 1954). J. Schmid, Neue Synoptiker-Literatur ThR 52, 1956, 49-62). W.R. Farmer, The Synoptic Problem (London/New York 1964). S.McLoughlin, Les accords mineurs Mt-Lc contre Mc et le problème synoptique (ETL 43, 1967, 17-40). A. Gaboury, La structure des évangiles synoptiques (Leiden 1970). H. Conzelmann, Literaturbericht zu den Synoptischen Evangelien (ThRs 37, 1972, 220-272). X. Léon-Dufour, Autour de Pa. question synoptique, (RScR 60, 1972, 491-518). B. de leurs sources (Leiden 1973). B. Reicke, Griesbach und die synoptische Frage (ThZ 32, 1976, 341-359). W.R. Farmer, Modern Developments of Griesbach's Hypothesis (NTS 23, 1976/77 275-295). B. Orchard, Matthew, Luke and Mark. The Griesbach solution to the synoptic question (Manchester 1976). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen