Thessalonicenzen (Brieven). De beide brieven aan de T. (1 en 2Th) zijn de oudste geschriften van het Corpus Paulinum en daarmee tevens van het NT. Zij werden geschreven in het tweede helft van 51 nC. Zij vertonen nog weinig kenmerken van de paulinische theologie en geven ons meer een indruk van de algemene vroeg-christelijke verkondiging. Hoofdthema is de verwachting van een spoedige wederkomst (parousie) van Christus. Zij zijn tevens (vooral 1Th) een document humain van het leven en werken van de apostel Paulus.
(I) Aanleiding. Gedurende zijn tweede missiereis 50-51 nC) kwam Paulus, vergezeld van Silas en Timotheus in Thessalonice aan (Hand 17,1; 1Th 2,2). Na een korte en succesvolle werkzaamheid werd hij verdreven en nam de wijk naar Beroea en vervolgens naar Athene. Silas en Timotheus bleven in Beroea achter, maar kregen de o dracht zich zo snel mogelijk bij Paulus te voegen Hand 17,515).
Omdat de prediking onder de T. eigenlijk zeer onvolledig was geweest, wilde Paulus hen opnieuw bezoeken, maar hij was steeds verhinderd (1Th 2,17v). Hij zond daarom Timotheus om de jonge gemeente te bevestigen (1Th 3,2). Deze bracht na zijn terugkomst verslag uit aan Paulus, die intussen in Corinthe was aangekomen (Hand 18,5; 1Th 3,6). Hij vertelde de apostel van de vragen, die onder de T. leefden. Zij bleken vooral verontrust te zijn over het feit dat sommige christenen waren gestorven nog voordat de beloofde wederkomst had plaatsgevonden (1Th, 4,13). Tevens was er meningsverschil over de vraag wanneer die parousie zou plaatsvinden (1Th 5,1). Het antwoord dat Paulus in zijn eerste brief gaf, schijnt aanleiding geweest te zijn tot diverse interpretaties, zodat hij zich genoodzaakt zag spoedig een tweede brief te laten volgen.
(II) Inhoud. Onder de druk van de vervolgingen (1Th 1,6) groeide onder de T. een sterk verlangen naar de wederkomst van Christus, die als opperste Rechter het kwaad in de wereld zou vernietigen en de gerechtigen in ere zou herstellen. Nu echter enigen van hen waren gestorven, voordat zij het verhoopte herstel van alle dingen (Hand 3,21) hadden mogen meemaken, begonnen zij zich ook over hun eigen toekomstig lot zorgen te maken. Uit het antwoord van Paulus blijkt dat hij met de apocalyptiek niet meer rekende op een Rijk Gods op deze aarde, maar op een geestelijke wereld. Daarvoor was de dood uiteraard geen belemmering. Integendeel, schrijft hij, eerst zullen de doden verrijzen en pas daarna zullen zij die dan nog in leven zijn veranderd worden in geestelijke wezens (1Th 4,16; 1Cor 15,51). Op de vraag naar uur en tijd weigert hij een duidelijk antwoord te geven, hij vermaant zijn lezers alleen steeds bereid te staan, omdat die dag komt als een dief in de nacht (1Th 5,2). Voor een aantal gemeenteleden schijnt hij de indruk gewekt te hebben dat de parousie voor de deur stond. Zij werkten niet meer (1Th 4,6-11; 2Th 3,6-15), zwierven bedelend rond en brachten de gemeente in opspraak. In zijn tweede brief waarschuwt Paulus tegen deze valse verwachtingen: eerst moeten een aantal 'tekenen' plaatsvinden en dan pas komt het einde (2Th 2,112). Deze tekenen zijn ontleend aan de apocalyptische literatuur. Vóór de wederkomst van Christus zal er een epiphanie van de anti-goddelijke machten plaats hebben, die in een laatste beslissende strijd door de Heer Jezus overwonnen zullen worden (2Th 2,8). Er is echter een factor die deze openbaring van het kwaad belemmert (τὸ κατέχον 2Th 2,7). Wat deze hinderpaal is, blijft in het duister; waarschijnlijk is de prediking van het evangelie bedoeld. Eerst moet het evangelie onder alle volken verkondigd worden en dan pas komt het einde (Mc 13,10 e.p.; Openb 11,9-12).
(III) Authenticiteit. De echtheid van 1Th wordt algemeen
aanvaard. Anders staat het met de tweede
brief, die door zeer velen beschouwd wordt als een
pseudo-epigrafisch werk van een auteur die het uitblijven
van de parousie wil verklaren (Holtzmann,
Wrede, Bultmann, Bornkamm, Masson, Marxsen
e.a.). Het voornaamste bezwaar is de grote overeenkomst
met de eerste brief. Alleen 2, 1-12, de passage
over de tekens die eerst moeten verschijnen, vertoont
geen overeenkomst en is ook in literair opzicht
niet paulinisch. Men neemt aan dat de schrijver met
dit stuk Paulus heeft willen corrigeren en het gekleed
heeft in passages uit de eerste brief. Het bezwaar
tegen deze hypothese is echter dat het stuk
ook omtrent feiten die intussen reeds hebben plaats
gehad, zoals de ondergang van Jeruzalem, zo weinig
concreet is (vgl. 2Th 2,4). De theorie roept dus meer
vragen op dan zij beantwoordt. Daarmee is uiteraard
de opvallende gelijkenis met de eerste brief
niet verklaard. Wellicht is dit verschijnsel toch niet
zo vreemd als men bedenkt dat Paulus geen afschrift
van de eerste brief ter beschikking had, toen hij de
tweede schreef.
Lit. Commentaren: J. E. Frame (Edinburgh 1912, 1960). F. Amiot (Paris 1946). J. Keulers (Roermond ²1953). K. Staab (Regensburg 1954, 1969). L. Dewai1Iy/B. Rigaux (Paris 1954). B. Rigaux (ib. 1956). C. Masson (Neuchâtel/Paris 1957). R. Tasker (London 1957). L. Morris (London/Grand Rapids 1959 = 1971). W. de Boor (Wuppertal 1960). A. Oepke (Göttingen 1962). A. Roosen (Roermond 1973). E. Best (London/New York 1973).
Studies: B. Rigaux, Vocabulaire chrétien antérieur à l'épïtre aux
Thessaloniciens (Sacra Pagina 2, Paris/Gembloux 1959, 380-389).
W. Stählin, Die Gestalt des Antichristen und das Katechon (in E.
Iserlohff'. Manns edd., Festgabe J. Lortz, Baden-Baden 1958, 1-12).
W. Kümmel, Das literarische und geschichtliche Problem des ersten
Thessalonicherbriefes (in Neotestamentica et patristica, Eine Freundesgabe,
O. Cullmann überreicht, Leiden 1 62, 213-227). L. Dewailly,
La jeune église de Thessalonique. Les deux premières épîtres
de saint Paul (Lectio divina 37, Paris 1963). W. Schmithals, Die
Thessalonicherbriefe als Briefkomposition (in E. Dinkler ed., Zeit
und Geschichte, Dankesgabe an R. Bultmann, Tübingen 1964, 295-315).
C. Giblin, The Threat to Faith. An exegetical and theological
re-examination of 2 Thessalonians 2 (Analecta Biblica 31, Rome
1967). B. Henneken, Verkündigung und Prophetie im ersten Thessalonicherbrief (Stuttgart 1969). W. Trilling, Untersuchungen zum
zweiten Thessalonicherbrief (Erfurt 1972). F. Laub, Eschatologische
Verkündigung und Lebensgestaltung nach Paulus (Regensburg
1973). H. Schlier, Der Apostel und seine Gemeinde. Auslegung des
ersten Briefes an die Thessalonicher² (Freiburg i.B. 1973). A.
Roosen, Kerk, apostolaat, christelijk leven. De Thessalonicenzenbrieven
(Boxtel 1976).
[Bouwman]