Toonbroden, de gebruikelijke nederlandse vertaling
van een hebreeuwse term die letterlijk 'broden van
het aangezicht' of 'broden van de stapel' betekent.
T. werden volgens het OT in twee stapels van zes in
het heiligdom op een daarvoor bestemde tafel gelegd.
De opdracht daartoe werd reeds tijdens de
tocht door de woestijn gegeven (Ex 25, 30); de toebereiding
wordt Lv 24, 5-9 beschreven. Ze moesten
elke sabbat vernieuwd worden. De tafel waarop ze
neergelegd werden is door Ezechiël (41, 22) met een
altaar vergeleken en omdat op elke tafel van de t.
wierook gestrooid werd, zijn ze gelijkgesteld met
een vuuroffer. Alleen de priesters mochten de t.
eten, maar volgens 1Sm 21, 6 kreeg
David van de
priester in het heiligdom van Nob vijf t. mee, omdat
er geen ander brood voorhanden was. Aan deze
overtreding van de wet herinnert Jezus (Mt 12, 4;
Mc 2, 26; Lc 6, 4) om het aren plukken op de sabbat
te rechtvaardigen. Hb 9, 2 maakt nog melding van
de t. De tafel waarop ze gelegd werden is afgebeeld
op de triomfboog van keizer Titus. Behalve op
de genoemde plaatsen worden de t. vermeld in Nm
4, 7, 1Kg 7, 45, 2Kr 4, 19 en 13, 11, Neh 10, 33.
Lit. S. Pelletier (DES 6, 965-976). - Id., Une particularité du rituel
des 'pains d'obkation' conservée par la Septante (VT 17, 1967, 364-367).
[Beek]