Wekenfeest (hebreeuws hag haššābu'ōt), volgens het OT een van de drie grote joodse feesten die met een pelgrimage naar de tempel gevierd konden worden, in de kalender der feestdagen zeven weken na Pesach, het paasfeest, vastgelegd. Het heet ook 'het feest van de oogst, van de eerstelingen der vruchten die gij op de akker zaaien zult' (Ex 23, 16). Lv geeft informatie over de riten en de offers die het w. begeleidden (23, 15-22), met aan het slot de opdracht de rand van het veld niet geheel af te maaien en wat van de oogst is blijven liggen niet op te lezen: men moet het voor de armen en de vreemdelingen laten liggen. De voorschriften worden Nm 28, 26-31 herhaald; Dt 16, 17 noemt het feest nog eens tussen dat van de ongezuurde broden en het loofhuttenfeest.
De teksten van het OT laten er geen twijfel over
bestaan dat het w. een feest van de oogst was voor
de boerenbevolking. Het jodendom heeft het feest
gehistoriseerd door het in verband te brengen met
de wetgeving op de Sinaï, die Israël bij de uittocht
uit Egypte na zeven weken had bereikt. In de synagoge
wordt tijdens het w. de tekst van het boek
Ruth gelezen.
Lit. M. Delcor (DES 7, 858-879). - S. de Vries, Joodse riten en
symbolen² (Amsterdam 1968) 132-137. W. Zuidema, Gods partner.
Ontmoeting met het jodendom (Baarn 1977) 119-127. [Beek]