Zacharia (Boek), OTisch geschrift van de profeet Zacharia.
(I) Inhoud. Het boek bevat drie gedateerde (hoofdstukken
1-8) en drie niet-gedateerde (hoofdstukken
9-14) profetieën. Van de drie gedateerde profetieën
is de eerste uit de achtste maand van het tweede
jaar van koning Darius; zij roept op tot bekering en
belooft de wederkeer van God tot Israël. De tweede,
gedateerd op de 24e dag van de 11e maand van
Darius, geeft acht nachtelijke visioenen: de vier ruiters
(1, 7-15), de vier horens (2, 1-4), de man met
het meetsnoer (2, 5-9), de reiniging van Josua (3,
1-7), de gouden luchter (4, 1-6a, 10b-l4), de vliegende
boekrol (5, 1-4), de vrouw in de korenmaat (5,
5-11), de vier strijdwagens (6, 1-8); hiermee zijn enkele
profetieën verbonden, waarvan de bedoeling is
het volk te bemoedigen. De derde profetie. gedateerd
op de vierde dag van de negende maand van
het vierde regeringsjaar van Darius, biedt in hoofdzaak
een antwoord op de vraag of het vasten in herinnering
aan de ondergang van de tempel voortgezet
moet worden (7,1-8,23).

Hierop vol en de drie niet-gedateerde profetieën. De eerste daarvan (9, 1-11, 3) beschrijft in dichtvorm de komst van de dag des Heren als een vernietiging van de aardse machten en een verzameling van het verstrooide Israël. De tweede (11. 4-17; 13, 7-9) beschrijft een goede herder die door zijn kudde versmaad wordt en zich terugtrekt en daarna een slechte herder; de dood van de goede herder leidt tot een kwade tijd. De derde (12, 1 - 14, 21) beschrijft twee aanvallen op Jeruzalem; God slaat de aanval af (12-13), de stad rouwt om hem die men doorstoken heeft en wordt van zonde gereinigd; dan volgen zes spreuken, elk beginnend met de woorden 'op die dag zal het geschieden', die de inneming van de stad, de gedaanteverwisseling van Juda, het lot van de heidenen en het rijk van God aankondigen (14).
(II). Aan de echtheid van de hoofdstukken 1-8 wordt in de bijbelwetenschap niet getwijfeld. Wat betreft de hoofdstukken 9-14 is men veel kritischer, zowel wegens de stijl als op rond van de inhoud, die van het voorafgaande sterk afwijkt. Men neemt aan dat anonieme profetische spreuken verzameld zijn in de hoofdstukken 9-11 en 12- 14 en later toegevoegd (met Mal 1-3) aan het boek van de kleine profeten. Zo kreeg een anoniem geschrift de naam Z.
(III) De boodschap van Z. is een oproep tot zedelijke
vernieuwing en tot herbouw van de tempel. Als
aan deze voorwaarden voldaan zal zijn, breekt de
heilstijd aan. Kenmerkend is de nadruk die gelegd
wordt op Gods transcendentie, waardoor het profetisme
aan betekenis verliest. Dit geldt van de echte
Zacharia, maar ook de hoofdstukken 9-14 roepen
een heilstijd op waarin men de profetie niet meer
kent en de toepassing van de wet daarvoor in de
plaats treedt: de Messias treedt op als beschermer
van armen en misdeelden.
Lit. Commentaren: H. G. Mitchell (Edinburgh 1912, -1951), F. Nötscher
(Würzburg 1948), F. Horst (Tübingen fl954. fl964), R. Brunner
(Zürictflstuttgart 1960).
Studies: T. Jansma, In uir into the Hebrew Text and the Ancient
Versions of Zec 9-l4 (OTS 7, 1950. 1-41). M. Delcor, Les allusions
à Alexandre le Grand dans Zach 9. 1-8 (VT 1. 1951, 110-124; dateert
Zach 9 in 312 vC). W. Eichrodt. Vom Symbol zum Typos. Ein
Beitrag zur Sacharja-Exegese (ThZ 13, 1957, 509-522). F. F. Bruce.
The Book of Zechariah and the Passion Narrative (Bulletin of the
John Rylands Library 43, 1960/1961, 336-353). K. Galling, Die
Exilswende in der Sicht des Propheten Sacharja (VT 2, 1958, 18-36).
B. Otzen, Studien über Deuterosacharja (Kopenhagen 1964). W.
Beuken, Haggai-Sacharja 1-8. Studien zur Uberlieferungsgeschichte
der frühnachexilischen Prophetie (Diss. Utrecht, Assen 1967.
[Beek]