Door Pieter Steinmetz, NRC 22-10-1999

"U ziet in welke moeilijke omstandigheden wij moeten werken", zegt Jean-Yves Empereur met een onverstoorbare glimlach. De Franse archeoloog, die vooral bekend is geworden door zijn duikexpedities naar de legendarische vuurtoren van Alexandrië, is des te trotser op zijn nieuwste project op het vasteland: de blootlegging van een deel van de Alexandrijnse necropolis, de al in de oudheid beroemde dodenstad die zich uitstrekte over een gebied van meer dan zes vierkante kilometer ten westen van het Grieks-Egyptische centrum.
Dat er zich onder modern Alexandrië een gigantisch stelsel van gangen, trappen en catacomben bevond, is geen nieuws - in de achttiende eeuw werden er al toeristische expedities naar de in de rots uitgehakte tombes uitgevoerd. Maar sinds de stad honderdvijftig jaar geleden onder de Turkse heersers stormachtig begon te groeien, konden de archeologen er niet meer bij. Bovenop de necropool verrezen de havenloodsen en de nieuwe wijken van de miljoenenstad in spe. En daar waar de overheid ruimte overliet, streken de migranten van het Egyptische platteland neer. Zij bouwden de krottenwijk waar de archeologen van Empereurs Centre d'Études Alexandrines (CEA) zich dezer dagen een weg doorheen banen.
Of beter gezegd: waar de moderne
stadsplanners van Alexandrië een
weg hebben gebaand. Letterlijk, want
de vijftig meter brede sleuf waarin het
CEA zijn archeologisch werk doet, is
door de gemeente van bebouwing
ontdaan ten behoeve van een kilometerslang
viaduct dat de snelweg Kairo-Alexandrië
moet verbinden met de
westelijke haven. Als we het opgravingsterrein
betreden, zien we dan
ook in de zinderende hitte aan onze
rechterhand hoe het beton en de lantrenpalen
van de nieuwe weg meters
boven de grond ophouden. Het is als
of een groot monster plotseling tot
stilstand is gekomen en zijn kaken
heeft dichtgeklapt.
"Twee jaar geleden stuitten de wegenbouwers hier op een enorme tombe" , zegt Jean-Yves Empereur, nadat hij met Arabische beleefdheid de Egyptische opzichters van het terrein omstandig heeft begroet. "Een bulldozer groef een gat op de plaats waar een pijler geslagen zou worden en ging door het dak van een grote ruimte. De grond was een gatenkaas; het werk moest wel stopgezet worden, en van de archeologische dienst kregen wij een concessie om de grafkeldërs bloot te leggen. Sindsdien hebben we er een dozijn gevonden. We hebben hier werk voor jaren, maar we weten niet hoe lang we hier mogen blijven, Als ik hier niet elke dag mijn gezicht laat zien, hoeven we misschien volgende week al niet meer terug te komen."
We staan inmiddels aan de rand van de eerstgevonden tombe en kijken een meter of vier naar beneden. In de rechthoekige ruimte zijn tientallen nissen uitgehakt, als in een reusachtige bijenkorf. Het zijn de zogeheten loculi waarin de Griekse Alexandrijnen hun doden bijzetten een begrafenissysteem dat doet denken aan de columbaria ('duiventillen') waarin Italianen nog steeds de asurmen van hun gestorven dierbaren bewaren. Empereur vertelt dat er alleen al in deze tombe van zeven verdiepingen 230 loculi zijn, en dat sommige nissen wel tien skeletten bevatten. "Alexandrië was een metropool vanmeer dan een half miljoen inwoners, en er zijn hier eeuwenlang lijken bijgezet. Daar kun je niet tegenop hakken.
Je kunt je dus voorstellen dat de skeletten in de loculi van tijd tot tijd naar achteren werden geschoven om plaats te maken voor nieuwe lichamen." Als we achter Empereur aan een in steen uitgehakte trap afdalen, maakt de archeoloog een omvattende beweging met zijn armen. "Welkom in de onderwereld van Alexandrië", zegt hij, en alsof hij het zo georganiseerd heeft, ligt er op de stenen vloer een cerberus: geen vervaarlijke hellehond, maar een droef ogend vuilnisbakkenbeestje dat zich gedurende ons bezoek niet zal verroeren. Het is niet het enige dier dat thuis is in de tombe! Sommige loculi zijn gekraakt door straatkatten, die wellicht enge ziektes bij zich dragen maar waarvan je minder te duchten hebt dan van de jakhalzen waarover negentiendeeeuwse toeristen in de catacomben van Alexandrië plachten te klagen.
Eenmaal beneden krijgen we langzaam in de gaten hoe de necropolis vat Alexandrië in elkaar stak. De tombe waarin we staan, bestaat uit verschillende vertrekken; Empereur wijst op een zijkamertje waarin de loculi extra sierlijk waren beschilderd, en waar langs de wanden stenen bankjes staan: "Dit was oorspronkelijk het familiegraf van een bemiddelde dode; de nabestaanden. kwamen op hoogtijdagen langs om in het gezelschap van de gestorvenen te dineren." Een ander zijvertrek is ten minste zo interessant: hier zijn de loculi nog niet uitgehakt, maar wel gepland. Met rode verf is de vierkante vorm aangegeven - door een begrafesondernemer die dubbel aan zijn transacties verdiende; de gaten verkocht hij aan zijn directe klanten, de netjes weggehakte brokken steen aan bouwmeesters uit de stad.
De verschillende collectieve tombes waren oorspronkelijk niet met elkaar verbonden, en hadden elk hun eigen ingang. Totdat grafschenners daar verandering in brachten. Empereur schijnt met een zaklantaarn op de achterwand van een aantal loculi, waar gaten van een centimeter of dertig doorsnee te zien zijn. "Zo gingen rovers van grafkeldernaar grafkelder, op zoek naar sieraden en bruikbare grafgiften. Als we meer tijd hadden en ik magerder was, zouden we hun pad kunnen volgen, tot onder de krottenwijk."
Ook de archeologen van het CEA hebben een verbinding tussen twee tombes tot stand gebracht. Via een doorgebroken loculus gaan we een niveau omlaag, nam een grote ruimte waar we opkijken tegen een flauwe helling van gruis en steen. In een hoek staat een enorme betonnen pilaar: een wegfundament dat kennelijk zonder probleem door het dak van de tombe is geslagen. Maar Jean-Yves Empereur keurt de vernietigende slagtand geen blik waardig en vestigt onze aandacht op een rossig teken op de muur ernaast. Het is een christelijk kruis - stille getuigw van het tweede leven van de Alexandrijnse catacomben. Empereur: "In 293 na Christus onder de Romeinse keizer Diocletianus, beleefde Alexandrië de ergste religieuze vervolgingen uit hhar geschiedenis.
Duizenden christenen doken onder in de necropool, soms voor vele maanden. Of het ze veel geholpen heeft, weet ik niet. Het aantal doden was zo groot dat dit 'Jaar van de Martelaren' in de kalender van de Koptische christenen het begin van de jaartelling werd."
Verder gaat het, naar een lager gelegen
ruimte vol loculi waarin men ooit
via een trap afdaalde. Nu staat er een
paar meter groen water in, schuimig
en met veel ronddrijvende rotzooi.
Als ik Empereur vgaag of de kennelijke
stijging van het grondwater sinds
de oudheid geen belemmering is bij
de opgravingen, begint hij te glimlachen.
"Juist niet. De waterspiegel is al
eeuwen zo hoog, en dat heeft grafrovers
enorm beperkt in hun doen en laten.
Wij konden gebruik maken van
onze duikerservaring en hebben onder
water enkele van de mooiste
vondsten gedaan - onder meer beschilderde
grafvazen en enkele symbolisch
beschilderde stenen die dienden
als verzegeling van de loculi."
De tombe waarin wij ons bevinden
is al een tijdje geleden helemaal gedocumenteerd
en leeggehaald door de
archeologen van het CEA. Tot slot
van de rondleiding in situ laat Empereur
zien welke aanblik een verst opgraving
biedt. Vijftig meter verder in
de richting van de nabijgelegen haven
zijn enkele tombes wat oppervlakkiger
blootgelegd. Archeologen (en
paar al gauw blijkt antropologen) zijn
spectaculair. Maar het is de architectuur
die tot de verbeelding spreekt, en
niet het archeologisch materiaal. Dat
er toch veel naar boven wordt gehaald,
wil Empereur demonstreren
met een bezoek aan de werkplaats van
het CEA. Per taxi verlaten we de
stank en de rotzooi van het westelijk
havengebied, maar eenmaal in het
centrum moeten we het laatste stuk
lopen. Al gauw wordt duidelijk waarom:
de wandeling geeft Empereur de
gelegenheid om aan te wijzen wat er
zich nog aan antiquiteiten onder de
Alexandrijnse grond bevindt.
Eenmaal in de werkplaats van het CEA, gevestigd in een oude Turkse fortificatie, maakt Empereur een ronde langs de verschillende opslagruimtes; vooral het souterrain, met zijn 1800 schoenendozen met opgravingsmateriaal en zijn honderden felgekleurde kratten vol skeletten, is indrukwekkend.
Maar vanzelfsprekend worden de gaafste vondsten uit de tombes van Gabbari hier niet bewaard. De beschilderde sluitstenen van de loculi, de elegante grafbeeldjes van terracotta, de sierlijke urnen met jachtvoorstellingen - ze staan allemaal in het museum, of wachten in depot op tentoonstelling. De rol van het CEA is puzzelen (tafels vol losse stukjes!) en analyseren. En het werk in Gabbari is geen schatgraven, maar kennisverwerving. "Denk eens aan alle demografische gegevens die je kunt destilleren uit zoveel goedbewaarde skeletten", zegt Empereur met meer dan, professioneel enthousiasme.
Om niettemin duidelijk te maken dat het CEA zich ook bezighoudt met l'art peur l'art, troont Empereur ons tot slot mee naar een van de verste kelders van het souterrain. Daar, in het licht van een schietgat, werkt een Egyptische restaurateur met een hamer en een tangetje aan een op zijn kop liggend Romeins mozaïek dat bij een opgraving in de binnenstad gevonden werd. Monnikenwerk, fluistert Empereur, waarna hij uitlegt dat het maanden duurt voordat je een klein mozaïek steentje voor steentje hebt schoongemaakt en verstevigd. Om maar niet te spreken van de tijd die het kost om sponsors te zoeken voor het aluminium dat je nodig hebt om alles veilig te bevestigen. "Voor de restauratie van de twee mozaïeken die vorig jaar in Parijs te zien waren op de grote Alexandrië-tentoonstelling - Medusa en het hondje met de waterkan - hadden we meer dan 100.000 dollar nodig."
Nee, Empereur heeft merkbaar meer op met de gewone duik- en opgravingsklussen. "Natuurlijk ben je blij als je bij het graven plotseling wordt aangestaard door een Medusa. Maar dat duurt Het lang. Eerlijk gezegd denk ik bijna op hetzelfde moment aan al het werk dat zo'n monster met zich meebrengt.