Patros, hebreeuwse vorm (pātrōs) bij Is 11,11, Jr 44,
1.15, Ez 29,14 en 30,14 van p3-t3-rsy 'het land van
het zuiden', een naam van Opper-Egypte in het Late
Tijdperk en in het demotisch. In het OT staat hij in
tegenstelling met misyajîm, de hebreeuwse naam
van de Delta, en maakt duidelijk dat in de tijd van
de profeten Beneden-Egypte veelal door eigen dynasten
bestuurd werd. De Septuaginta-vorm Παθουρης
in Jr51,1.15 en Ez (met de variant Φαθωρης,
in hss van Ez) staat dichter bij de transcriptie
Paturesi van de assyrische annalen (bv. ANET 290).
Hebreeuws ō vertoont een tussenstadium van de
ontwikkeling van /u/ tot /è/ in rúsyu > rusi >
roesi > rèsi (J. Vergote, Grammaire copte. Ib.
Partie diachronique, Louvain 1973, 68).
Lit. Simons 570. J. Leibovitch, Pathros (Bull. Inst. d'Ég. 17,
1934v, 69-82) tracht te bewijzen dat de naam op een streek
buiten Egypte doelt.
[Vergote]