Rome - Kunst

Uit Romes beginperiode zijn slechts weinig kunstresten over. Zoveel is zeker dat in deze tijd de kunst van Rome sterk door de Etruriërs werd beïnvloed. Tijdens de republiek beperkten de kunstuitingen zich tot Rome en de van deze stad afhankelijke gebieden. Later kwamen de R. in de ban van de griekse kunst. Uit eigen, latijns-italische, etruskische en griekse elementen trachtten zij een harmonische kunst op te bouwen, die haar hoogtepunt bereikte onder het keizerrijk. Zij manifesteerde zich toen ook ver van de stad, in alle provincies van het grote imperium. Dat zij omgekeerd ook de invloed onderging van de inheemse provinciale kunst, was nauwelijks te vermijden.


Lit. Recente algemene werken: J. M. Toynbee, The Art of the Romans (London 1965). R. Bianchi Bandinelli, Rome, le centre du pouvoir. L'art romain des origines à la fin du IIe siècle (Paris 1969; engelse vertaling: Rome, the Centre of Power, New York 1970; duitse vertaling: Rom, das Zentrum der Macht, München 1970). Id., Rome, la fin de l'art antique. L'art de l'empire romain de Septime Sévère à Théodose Ier (Paris 1970; engelse vertaling: Rome, the Late Empire, New York 1971; duitse vertaling: Rom, das Ende der Antike, München 1971). B. Andreae, Römische Kunst (Freiburg i.B. 1973). H. Stützer, Römische Kunstgeschichte. Vom der Frühzeit bis zum Ende des weströmischen Reiches (ib. 1973). R. Bianchi Bandinelli, Die römische Kunst. Von den Anfängen bis zum Ende der Antike (München 1975; onverkorte weergave van de tekst der beide hiervoor genoemde werken van dezelfde auteur).


(A) Bouwkunst. Onder etruskische invloed stond nog de tempel van Iuppiter Capitolinus (510 vC). Laag en breed en staande op een podium, maakte hij met zijn brede intercolumnia een logge indruk. Van de oudste tijdens de republiek gebouwde tempels (Saturnus 497; Bacchus, Ceres en Proserpina 494; Castor en Pollux 482 vC) is vrijwel niets over. Van de woningbouw uit deze tijd geven de etruskische asurnen een indruk. Nieuwe impulsen kreeg de bouwkunst na de bezwering van de gallische (387 vC) en punische (201 vC) dreiging. Kenmerkend is daarbij dat meer op nut gelet werd dan op schoonheid. Zeer oud is de cloaca maxima, oud ook het Tullianum (carcer). Na 387 verrezen de eerste huurkazernes (insulae) en de aan Servius Tullius toegeschreven stadsmuur. Het oudste castrum van Romes zeehaven Ostia wordt rond 350 vC gedateerd. In 312 vC werd begonnen met de aanleg van de Via Appia, gevolgd door die van een aquaduct, de Aqua Appia, en die van de Aqua Martia (ca. 260 vC).

Als bouwmateriaal werd natuursteen gebruikt (tuf, peperijn, travertijn), waarmee men muren van rechthoekige blokken (opus quadratum) optrok. Vanaf de 2e eeuw vC voegden zich hierbij muren van blokken harde mortel (opus caementicium).

Griekse invloeden manifesteerden zich vooral in de decoratie. Populair werd vooral het corinthische kapiteel. De aandacht van de bouwmeesters gold in het bijzonder de voorgevel van de tempel, die dan ook van die zijde gezien dient te worden. In de 2e eeuw vC verrezen te Rome verscheidene basilicae (Porcia 184; Fulvia et Aemilia 179; Sempronia 170; Opimia 121), die van groot belang waren voor het geld- en handelswezen en voor de rechtspraak. Talrijk zijn ook de grafmonumenten, waarvan dat van de Scipiones tot de oudste behoort, dat van Eurysaces tot de merkwaardigste en dat van Caecilia Metella, evenals de pyramide van Cestius tot de indrukwekkendste. Tot de utiliteitswerken behoren ook de stenen bruggen; ca. 150 vC werd de Pons Aemilius gebouwd, 109 vC de Pons Milvius, 63/2 vC de Pons Fabricius. Een belangrijke vernieuwing was de verbinding van een zuil (meestal zonder canneluren) of halfzuil met een boogconstructie (tabularium, theater van Pompeius). De voorkeur van de R. ging uit naar de gebogen lijn en naar monumentaliteit die grote ruimten schiep. Als eigen bouwelementen traden vooral op de voorgrond: pijlers en bogen, nissen en absiden, ton-, koepel- en kruisgewelven.

Grote bouwactiviteiten gaf ook de tijd van Sulla te zien. Zij beperkten zich niet tot Rome (tabularium, herstel Iuppiter-tempel, curia): te Terracina verrees het grote tempelcomplex van Iuppiter Anxur, te Praeneste dat van Fortuna Primigenia. Aan Pompeius dankte Rome zijn eerste stenen theater (55 vC), dat - anders dan de griekse - volkomen vrijstaand was. Pompeji beschikte intussen al over een amfitheater en kreeg er rond 50 vC een theatrum tectum bij; deze stad beschikte toen ook reeds over een tweetal thermen. Pompeius en Caesar verrijkten Rome met vele gebouwen of lieten oude herstellen of omzetten in steen (Circus maximus). Intussen ontwikkelde het atriumhuis zich, mede onder griekse invloed, verder doordat het o.m. werd uitgebreid met een peristylium, en ontstonden in de steden tot meer dan 20 m hoge flats, op het land rijke landhuizen. Ook buiten Rome werd rond het begin van onze jaartelling al ijverig gebouwd: in Baiae bv. verrezen thermen, Arausio (Orange) kreeg een zegeboog, Arelate (Arles) een amfitheater.

In de keizertijd kreeg de romeinse bouwkunst nieuwe impulsen door de bouw van keizerlijke paleizen en enorme thermencomplexen, alsmede door de aanleg van de keizerfora (forum). In vele grote steden van het uitgestrekte imperium voltrokken zich soortgelijke bouwactiviteiten, waarvan de resten nog steeds grote indruk maken; o.a. Antiochië, Augusta Treverorum, Carthago, Corinthe, Ephese, Lambaesis, Leptis Magna, Milete.


Lit. Vitruvius, De architectura. - W. J. Anderson/R. Ph. Spiers/Th. Ashby, The Architecture of Ancient Rome. An account of its historic development (London 1927). G. Lugli, La tecnica edilizia romana, con particolare riguardo a Roma e Lazio 1-2 (Rome 1957). L. Crema, L'architettura romana (Torino 1959). F. Brown, Architektur der Römer (Ravensburg 1962). A. Boëthius, Etruscan and Roman Architecture (Harmondsworth 1970). M. E. Blake, Roman Construction in Italy from Nerva through the Antonines (Philadelphia 1973). - Zie voorts de lit. bij de trefwoorden waarnaar in de tekst verwezen wordt.


(B) Beeldhouwkunst. De romeinse beeldhouwkunst vertoont een eigen karakter in de weergave van de werkelijkheid en het individuele. Wellicht is de voorouderverering, waarbij portretmaskers van overledenen een rol speelden, hieraan niet vreemd. De portretkunst kreeg dan ook een belangrijke plaats. Als voorlopers hiervan gelden maskers op dodenurnen en bronzen beeldjes uit Etrurië. Pas vanaf 600 vC vindt men ook grotere beelden, die eveneens etruskische invloed verraden, zoals de wolvin van het Capitool (Romulus) en de Mars van Todi.

Griekse trekken meent men reeds bij de Apollo van Veii te constateren (ca. 500 vC). Veel beelden doen nog primitief aan, andere vertonen harde romeinse boeretrekken. Bekende voorbeelden van republikeinse sculptuur zijn de beelden van Lucius Iunius Brutus, de grafbuste van Gaius Aurunceius Princeps en een standbeeld van de redenaar Aulus Metellus. Een milder karakter vertonen de portretkoppen van Pompeius, Cicero en Caesar.

Hoge waardering vonden in Rome de producten van de griekse plastiek, die op grote schaal werden geïmporteerd of in Italië werden gecopieerd. Grote faam als copisten verwierven in de 1e eeuw vC Pasiteles en zijn school. Hun klassicisme richtte zich naar de rustige griekse kunst van de 5e en 4e eeuw vC en uitte zich vooral in een onromeinse idealisering en de bewerking van de kledij. De in deze tijd tot ontplooiing komende reliëfkunst was vooral sacraal en sepulcraal (altaar van Gnaeus Domitius Ahenobarbus met Neptunus-processie en suovetaurilia). Toepassing vond zij voornamelijk op reliëfvazen, kandelabers en fonteinen. Bekend om haar idealiserende archaïserende opvatting was in deze tijd de neo-attische school van Apollonius, schepper van de vuistvechter en de 'torso van Belvedere', en zijn leerlingen Stephanus en Menelaüs. Zeer gevierd was ook Arcesilaüs, die de Venus Genetrix in haar tempel op het Forum Caesaris maakte.

In de keizertijd bereikte de romeinse plastiek een indrukwekkende hoogte. Daarbij was de kunst van de stad toonaangevend. Originelen en copieën uit griekse en romeinse werkplaatsen bleven toestromen. Het romeinse karakter treedt vooral bij het portret en het historisch reliëf naar voren. Specifiek romeinse waarden komen in allegorische figuren tot uitdrukking. Overigens manifesteerde zich voorkeur voor of afkeer van de griekse kunst al naar gelang van de aard en opvatting van de keizers. Vanaf de 3e eeuw echter verflauwde de artistieke inspiratie en nam ook de technische vaardigheid af.

De vredesperiode die Augustus inluidde vond uitdrukking in de stille schoonheid van de klassicistische richting. Bucolische landschapstaferelen en florale motieven weerspiegelen de geest van vrede. Het keizerlijke hof blijkt een stimulans voor de portretkunst. Overigens was Augustus zelf voorstander van de italische traditie (Augustus van Primaporta (hiernaast), Augustus als pontifex). Romeins om de realistische uitbeelding van haar historische gegevens en om haar florale decoratie is zijn Ara pacis, die lateren als modelboek diende. Een reactie tegen het academisch koude klassicisme bracht de tweede helft van de 1e eeuw, die terugkeerde naar het harde romeinse realisme (portret van Vespasianus en van Lucius Caecilius Iucundus).

Zijn die van Titus en Domitianus reeds milder, een streven naar verfijning komt tot uiting in vrouwenportretten die opvallen door hun prachtige kapsels (Iulia Titi). Typisch voor het historisch reliëf is nu het zoeken naar ruimte en diepte, en zijn licht- en schaduwwerking (boog van Titus). Als bijzonder genre valt het landschapsreliëf aan te merken (landman met koe).



Verscheidene reliëfs uit de 2e eeuw geven een doorlopend verhaal, bv. op de zuilen van Traianus en Marcus Aurelius. Beroemde stukken zijn ook de z.g. Anaglypha Traiani en de reliëfs op de boog van Beneventum.


Een van de Anaglypha van Trajanus

Talloos zijn de wijd verbreide portretten van keizers. Onder de hellenofiel Hadrianus trad de griekse opvatting meer naar voren. Picturale elementen vindt men in de bewogen baard en uitdrukkingsvolle ogen. In een academische afwerking werden realisme en idealisme tegen elkaar afgewogen (beeld van Antinoüs, apotheose van Antoninus en Faustina, triomf van Marcus Aurelius). Uit de reliëfs op de boog van Septimius Severus en die van de zilversmeden blijkt een langzame doving van de levenskracht. Elan en frisse ideeën gaan ontbreken. Wel komen nog goede portretkoppen tot stand (o.a. van barbaren), maar ondanks hun overdaad, beweeglijkheid en schilderachtigheid vertonen de reliëfs inhoudelijk vaak weinig artistieke trekken. In de provincies vindt men intussen naast geïmporteerde stukken veel locaal getint werk (Zuil van Igel, sarcofaag van Simpelveld).

Bij de voortschrijdende ontbinding van het rijk verloor Rome zijn positie als centrum van de kunstbedrijvigheid. Het verval van de kunst manifesteert zich in harde portretkoppen, levenloosheid van de gedrapeerde lichamen, het zoeken van inspiratie in het verleden en het gebruik maken van vroeger werk (boog van Constantijn). En ofschoon er nog steeds waardige produkten tot stand kwamen (koppen van Diocletianus en Constantijn), betekende dit toch het einde van de romeinse beeldhouwkunst.


Lit. R. Bianchi Bandinelli (EAA 6, 718-738, 939-999). - J. Bernouilli, Römische Ikonographie 1-2 (Stuttgart/Leipzig/ Berlin 1882-1894 = Hildesheim 1969). E. Strong, Roman Sculpture from Augustus to Constantine (London 1907 = New York 1971). D. E. Strong, Roman Imperial Sculpture (London 1961). A. W. Lawrence, Greek and Roman Sculpture (ib. 1972). H. von Heintze ed., Römische Porträts (Wege der Forschung 348, Darmstadt 1974).


(C) Schilder- en mozaïekkunst. Spaarzame schilderresten op grafmuren tonen aan dat de oudste italische schilderkunst tweedimensionaal was en een voorkeur had voor lijn en kleur en voor mythologische en historische taferelen. De literatuur (Plautus, Terentius, Livius, Plinius) verschaft enige informatie voor de tijd van de republiek. Rond 300vC zou Fabius Pictor aan de tempel van Salus gewerkt hebben. De dichter Pacuvius schilderde in het begin van de 2e eeuw vC o.a. in de tempel van Hercules aan het Forum Boarium. Van de griekse kunstenaars die in Rome werkten zijn de namen van Marcus Plautius Lyco, die de tempel van Ardea beschilderde, van Metrodorus en van Iaea uit Cyzicus, die vrouwenportretten maakte, overgeleverd.

Al hun werk is verloren gegaan, evenals dat van een wellicht Studius geheten schilder uit Augustus' tijd. Fabullus of Famulus heette de schilder die in het Gouden Huis van Nero werkte. Geliefde thema's waren krijgstaferelen, scènes uit theater en circus, portretten en aardrijkskundige kaarten. In Rome, Pompeji en Herculaneum zijn tal van wandschilderingen aan het licht gekomen. De beginperiode hiervan ligt nog in hellenistische tijd en het waren wel vooral griekse schilders die ze tot stand brachten. Samen met de verwante stuc-reliëfs en de mozaïeken vormen zij de voornaamste bron van onze kennis van de romeinse schilderkunst.

De romeinse muurschilderkunst kwam vooral sedert Sulla tot ontwikkeling. Voordien, vanaf 200 vC, werkte men in een horizontale incrustatiestijl, waarbij zuilen en marmeren bekledingsplaten in stuc werden weergegeven en taferelen ontbraken. De verovering van Klein-Azië vooral leidde tot nieuwe impulsen, die zich uitten in de tweede, z.g. illusionistische architectuurstijl. Hierbij werden door middel van bouwelementen als pilasters en met behulp van bloemslingers doorkijkjes naar een landschap gesuggereerd, waarin zich mythologische of alledaagse taferelen afspelen. Voorbeelden hiervan vindt men in het huis van Livia te Rome en op de Aldobrandinische bruiloft.

Een nieuwe stijl kwam onder Augustus op. Deze verwierp perspectief en illusie en maakte de muur weer tot muur. Deze werd in grote vlakken verdeeld, waarop als in een lijst afbeeldingen werden aangebracht. De versiering met bloemslingers, palmetten en zuiltjes, kandelabers, bloemslingers, stillevens en friezen is zo rijk dat deze stijl de egyptiserende wordt genoemd. Zijn einde kwam met de eerste verwoesting van Pompeji in 62 nC. Een zich reeds voordien aandienende stijl zette zich nu door. Deze brak met de voorafgaande en knoopte aan bij de schijnarchitectuur van de tweede stijl.

Door zijn overdadigheid, speelsheid, hartstocht en fantasie liep hij uit in een soort rococo met bonte, onrustige en vaak onmogelijke vormen van architecturaal verval. De daarbij afgebeelde taferelen zijn vooral van mythologische aard (bv. Telephus en Heracles; Casa dei Vettii). Daarbij is nauwelijks uit te maken in hoeverre zij kopieën zijn van griekse originelen of door griekse kunstenaars gemaakt zijn. Vanaf de 2e eeuw nC tonen de schaarse resten een vervlakking van de romeinse schilderkunst. De belangstelling voor ruimtelijke voorstellingen nam af.

Onder overdadig gebruik van de kleuren rood, geel en groen werden vlakken met losse figuren gevuld. Intussen had de schilderkunst zich ook over de provincies verbreid, evenals de zeer populaire mozaïekkunst. Tot de bekendste stukken op dit gebied behoren het Alexander-mozaïek te Pompeji, dat van de Centaurenfamilie in de villa van Hadrianus te Tibur, het Nijl-landschap te Praeneste en het mozaïek van Vergilius en de Muzen. Een belangrijke tak van de schilderkunst vormden ook de op hout of doek geschilderde mummieportretten.


Lit. P. Herrmann/F. Bruckmann, Denkmäler der Malerei des Altertums 1-20 (München 1906-1950). S. Reinach, Répertoire des peintures grecques et romaines (Paris 1922). L. Curtius, Die Wandmalerei Pompejis (Leipzig 1929 = Hildesheim 1960). Monumenti della pittura antica scoperti in Italia (Rome 1936vv). A. Maiuri, La peinture romaine (Genève 1953). M. Borda, La pittura romana (Milaan 1958). A. Stenico, De Etruskische en Romeinse schilderkunst (Amsterdam 1962). A. de Franciscis, La pittura pompeiana (Florence 1965). W. Dorigo, Pittura tardoromana (Milaan 1966). G. Gassiot-Talabot, De Romeinse en vroegchristelijke schilderkurist (Utrecht 1966). A. Barbet, La peinture murale romaine (Paris 1970). K. Schefold, La peinture pompéienne. Essai sur Pévolution de sa signification (Collection Latomus 108, Bruxelles 1972).


(D) Muziek en dans. De vroeger wel gehuldigde opvatting dat de R. onmuzikaal zouden zijn geweest heeft moeten wijken voor het inzicht dat het oude Rome wel degelijk een eigen muziekleven heeft gek.end. De beginperiode is in het duister gehuld, maar de herdersfluit was stellig al vroeg bekend; en aangenomen mag worden dat spontane muzikale uitingen ook hier de menselijke levensloop begeleidden. Etruskische schilderingen en de oude liederen en dansen van de Salii en Arvales Fratres bewijzen voor de 6e eeuw vC het bestaan van een eigen muziek. Ook het leger kende zijn muzikale signalen, gegeven door tuba, lituus of cornu. De ouderdom van het collegium tibicinum duidt erop dat de tibia (fluit) het nationale instrument was. Met de invoering van de ludi scaenici naar aanleiding van de heersende pest (364 vC) werd de romeinse theatermuziek geboren. Koorzang en dans in dramatische uitvoeringen bereikten een eerste hoogtepunt toen het griekse drama door Livius Andronicus zijn intrede deed (240 vC). Dit bevorderde een eigen muziekproductie en het ontstaan van het beroep van musicus. De nieuwe richting werd door Plautus uitgebouwd. Doordat solistische cantica de koorliederen vervingen, werden zijn komedies tot zangspelen en de muziek karakteristiek voor de romeinse komedie. Bekende componisten waren de slaven Marcipor en Flaccus. De vorming van een vereniging van musici rond de tempel van Minerva op de Aventijn (eind 3e eeuw vC) bewijst dat de muziek een grotere onafhankelijkheid kreeg ten opzichte van de poëzie. Terwijl cantica ook bij de tragedie ingang vonden, handhaafde de fabula praetexta vooral de koren. In de 2e eeuw vC leidde de komst van griekse slaven naar Rome tot een hellenisering van de romeinse muziek.

Als gevolg van de algemene weelde kwamen tevens particuliere concerten en tafelmuziek op. Griekse invloed manifesteerde zich ook bij het kunstlied, dat vanaf de aanvang van de 1e eeuw vC lyrische gedichten verklankte als de elegieën van Valerius Aedituus, Porcius Licinus en Lutatius Catulus, en bij wijze van uitzondering de Oden van Horatius, die in 17 vC in opdracht van Augustus het Carmen Saeculare componeerde.

In de keizertijd breidde het virtuozendom zich uit, zowel aan het hof, waar Tigellius en Mesomedes werkten en keizers als Nero muziek beoefenden, als bij het volk. Grote orkesten kwamen tot stand, instrumenten als het orgel ondergingen een steeds verdere vervolmaking. De aandacht ging meer uit naar de uitvoering dan naar de schepping van muziek. Amfitheater- en circusspelen werden met muziek opgeluisterd, die speciaal bij oosterse erediensten een bijzondere functie had. Lyrische soli vonden ingang bij de pantomime. In het steeds meer verflauwende muziekleven bracht het christendom een nieuwe opleving, dat o.a. in de hymnen van Prudentius en Ambrosius aan oude vormen een nieuwe inhoud gaf.

De dans in de cultus werd reeds terloops vermeld. Ook kwam hij voor bij de pompa circensis, de ludi scaenici en de pantomime. De zelfstandige dans werd door de R. oorspronkelijk echter niet beoefend en kwam eerst in de keizertijd op, toen rijken vaak groepen van betaalde dansers en danseressen onderhielden. Zoals de beoefening van de muziek aan sociaal niet hoog geklasseerde beroepsmusici werd overgelaten en nauwelijks een wezenlijk onderdeel van de opvoeding vormde, zo gold ook dansen in het algemeen als niet passend voor een Romein. De theoretische belangstelling voor de muziek ontstond bij de R. vrij laat. Varro's De musica ging helaas verloren. Na hem wijdden Quintilianus, Gellius, Apuleius, Censorinus, Macrobius, Augustinus en Martianus Capella tractaten of langere passages aan de muziektheorie.


Lit. H. Abert, Die Musik (in: L. Friedländer/G. Wissowa, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms 210, Leipzig 1922, 163-190). J. E. Scott, Roman Music (in: New Oxford History of Music 1, London 1957, 404-421). G. Wille, Musica Romana. Die Bedeutung der Musik im Leben der Römer (Amsterdam 1967). A. Bandot, Musiciens romains de l'antiquité (Paris 1973). G. Wille, Einführung in das römische Musikleben (Darmstadt 1977). Dans: F. Weege, Der Tanz in der Antike (Halle a.d. Saale 1926). [A. J. Janssen]


Rome