
Tulul eth-Thalathat of Telul eth-Thlathat, groep
van vijf ruïnenheuvels, gelegen ca. 55 km ten westen
van Mosoel in Irak, waarvan vooral tell II, die 60 x
100 x 7 m meet, van 1956 tot 1976 onderzocht is
door een japanse expeditie.
De lagen XVI (bestaande uit hutkommen) en XV (met een vierkamerhuis uit gestapelde klei) behoren tot fase Ia van de z.g. Hassuna-cultuur (ca. 6000-5500 vC). Uit vlakke bodem en geknikte wand opgebouwd aardewerk werd op lage temperaturen gebakken; de enige versiering bestond uit grepen in de vorm van een halvemaan, een kruis, een paar 'borsten' of een vereenvoudigde mannenfiguur. Van klei werden ook veél beeldjes van zittende vrouwen gemaakt. Na een hiaat van misschien 1500 jaar volgde in de lagen XIV-X bewoning in een late fase van de Ubaid-cultuur. De huizen hadden vaak steunberen en in ewikkelde plattegronden, met een middenkamer die geflankeerd werd door tot tien zijkamertjes.
Onder de vloer zorgden soms evenwijdige, door holten afgewisselde steunmuurtjes voor ventilatie van de opgeslagen voorraden, die bovendien door een gracht tegen knaagdieren beschermd werden. Het grootste huis, dat een ivoren knotskop bevatte, wordt geïnterpreteerd als de woning van de hoofdman.
Nadat het beschilderde, met de hand gemaakte aardewerk plaats gemaakt had voor egaal bruin, op de schijf gedraaid Uruk-aardewerk (lagen VIIa-I, ca. 3500-3000) verrees er een tempel met middenkamer, waarin zich een kleitichelaltaar bevond, geflankeerd door acht zijkamers, die door afwisselend in- en uitspringen de buitenwand verlevendigden. Naast kleibeeldjes van dieren zijn er ook veel projectielen van klei in gevonden.
Tell V bleek bovenop Uruk-overblijfselen een rechthoekig gebouw te bevatten van tien alleen van bovenaf toegankelijke kamers met vloeren van klei en riet op steunmuurtjes. Op de vloer lag nog 60 cm verkoolde gerst. Het 'Ninive 5'-aardewerk duidt op een datum omstreeks 2650 vC.
Tenslotte bleek Tell I boven een oudassyrische tempel
(?) binnen een ovale ommuring een nog later
gewelfd gebouw met zes kamers te bevatten, vanwaaruit
een schacht met onderaardse gangen op drie
verschillende niveaus was aangelegd.
Lit. N. Egami/S. Fukai e.a., Tulul eth-Thalathat 1-3 (Tokyo 19591974).
S. Fukai/T. Matsutani, Excavations at Tulul eth-Thalathat
(Sumer 33, 1977, 48-64).
[van Loon]