Etymologisch is paradijs (via het latijnse paradisus) afgeleid van παράδεισος, dat ontleend is aan het oudperzische pairi-daeza met de betekenis van ommuring, ommuurde tuin. Sinds de LXX speciaal de tuin van Eden aanduidde met παράδεισος, (dat Xenophon gebruikt voor een koninklijk park), heeft het woord een religieuze inhoud gekregen. Godsdiensthistorische parallellen met het bijbelse p-verhaal vindt men met name in de sumerische mythe van Enki en Ninchursag (ANET p. 3741) en in het akkadische epos van Gilgamesj (ANET p. 72-98). In het verhaal van de mens en zijn vrouw in Gn 2-3 worden motieven uit de oudoosterse literatuur verwerkt en dienstbaar gemaakt aan de bijbelse prediking waarin de verdrijving uit de tuin van Eden het gevolg van menselijk handelen is. Buiten het verhaal van Gn 2-3 is er in het OT sprake van een tuin van JHWH (Gn 13,10; Js51,3), een tuin van God (Ez 28,13; 31,8v) of de tuin van Eden (Ez 36,35; Joël 2,3. Speciaal bij Ezechiël treft men een eigen verwerking van mythologische gegevens aan.
Was in aanzet de verwachting van een toekomst
met de trekken van de oertijd reeds aanwezig in het
OT, in de apocalyptische literatuur worden de beelden
van het p. van de eindtijd uitgewerkt (Testamentum
Lv 18,10v; Henaeth 25,4v; Openb 2,7).
Doordat het p. van de oertijd en het p. van de eindtijd
gelijkgesteld werden, ontstond de voorstelling
van het p. dat in het heden op voor de mens verborgen
wijze voortbestaat (Henaeth70; Lc23,43;
2Cor12,4).
Lit. StB 4, 1118-1165. J. Jeremias (ThW 5, 763-771). Encyclopaedia
Judaica 13 (1972) 77-85. - Th. C. Vriezen, Onderzoek
naar de p. voorstelling bij de oude semitische volken (Wageningen
1937). P. Humbert, Études sur le récit du paradis et
de la chute dans la Genèse (Neuchâtel 1940). Cl. Westermann,
Genesis (Neukirchen 1966vv; ad Gn2-3). Th. H. Gaster,
Myth, Legend and Custom in the Old Testament (London
1969) 24-50, 332-341. Cl. Westermann, Genesis 1-11 (Erträge
der Forschung 7,Darmstadt 1972) 26vv. [Hoogewoud]