Fries, van het latijnse phrygium afgeleid modem
woord (italiaans fregio, frans frise) waarmee men in
de bouwkunst de horizontale, meestal met reliëfwerk
versierde band tussen architraaf en kroonlijst
of geison aanduidt. In de dorische bouworde bestaat
de f. uit de trigliefen - oorspronkelijk de koppen
van de dwarsbalken - en de metopen, de marmeren
of. terracotta-platen die de ruimte tussen de
trigliefen vullen; in de ionische bouworde bedekken
de doorlopende friesplaten zowel de uiteinden der
balken als de tussenliggende openingen.
In ruimere zin wordt elke doorlopende strook
reliëfwerk of schilderwerk (bv. op griekse ceramiek)
f. genoemd.
Beroemde friezen uit de griekse oudheid zijn die
rond de cella van het atheense Parthenon (ca. 450
vC; fragmenten in het British Museum, Elgin
Marbles; zie hiernaast), die van het
Mausoleum van Halicarnassus
(ca. 350 vC; fragmenten in het British Museum)
en die van het Zeusaltaar van Pergamum (eerste
helft 2e eeuw vC; fragmenten in het Pergamon-Museum
te Berlijn).
Lit. H. Kähler (EAA 3, 731-736). - R. Demangel, La frise
ionique (Paris 1933). [Nuchelmans]