Vergilius

kopVergilius naast Horatius de grootste der romeinse dichters, geboren te Andes bij Mantua in 70 vC, gestorven te Brundisium op 22 september 19 vC.

(I) Leven. De voornaamste biografische informatie leveren de laat-antieke Vitae, die deels teruggaan op oudere bronnen zoals Suetonius. Deze Vitae zijn overgeleverd op naam van o.a. Donatus, Servius en Probus. Hun gegevens moeten met voorzichtigheid worden gehanteerd, aangezien ze voor een deel door allegoriserende interpretaties aan V.' eigen werk zijn ontleend.

Geboren uit weinig bemiddelde ouders, V. Maro en Polla Magia, volgde Publius V. Maro elementair onderwijs bij de grammaticus in Cremona en Milaan.
Na het aannemen van de toga virilis op 15 oktober 55 (de sterfdag van Lucretius) stelde zijn vader hem in staat zijn studie in de retorica in Rome voort te zetten. Na een minder succesvol optreden bij een proces zag V. af van een politieke carrière en studeerde enige tijd in Napels filosofie bij de epicureeër Siro. In de periode tot 42, waarvoor ons feitelijke gegevens ontbreken, zou V. de gedichten hebben geschreven die verzameld zijn in de Appendix Vergiliana, waarvan echter de authenticiteit dubieus is (zie II D). Vanaf 42 werkte hij aan de gedichten die tot de belangrijkste werken van de wereldliteratuur behoren: Bucolica (42-39), Georgica (37-29), Aeneis (29-19). Bij de akkerverdelingen in het gebied van Cremona ten behoeve van Octavianus' veteranen (41 vC) werd ook het grondbezit van V.' familie geconfisceerd; door bemiddeling van hooggeplaatste vrienden kreeg V. compensatie (zie Eclogae 1 en 9). Uit deze tijd dateerde zijn vriendschap met de invloedrijke beschermer van kunsten (Maecenas en met Gaius Asinius Pollio. Ter gelegenheid van de onderhandelingen tussen Octavianus en Antonius in 37 vC reisde V. samen met zijn vrienden Horatius en Varius Rufus naar Brundisium, zoals Horatius beschreven heeft in zijn satire 1, 5.

Zijn werk werd door Octavianus, de latere Augustus, met grote belangstelling gevolgd. In 19 vC besloot V. tot een verblijf van drie jaar in Griekenland om de Aeneis te voltooien. Door ziekte gedwongen keerde hij echter spoedig naar Italië terug, waar hij kort na zijn aankomst te Brundisium stierf. Bij testament vermaakte hij zijn literaire nalatenschap aan Varius Rufus en Plotius Tucca, onder de bepaling dat ze alleen in de openbaarheid zouden brengen wat hij zelf rijp voor publikatie achtte. De nog niet gereviseerde Aeneis zou hij hebben willen verbranden; Augustus echter gaf Varius opdracht het epos uit te geven. V. werd bij Napels begraven; zijn graf werd door V.' epigoon Silius Italicus aangekocht en vereerd.

Volgens Donatus was V. groot van postuur, donker van huidskleur, boers van uiterlijk en van een zwakke gezondheid. Antieke afbeeldingen die met zekerheid V. weergeven zijn uiterst zeldzaam: het Monnus-mozaïek in Trier (3e eeuw) en een mozaïek uit Hadrumetum (ca. 300) in het Bardo-museum te Tunis.

Drie miniaturen in codex Vaticanus latinus 3867, de z.g. V. Romanus (6e eeuw), tonen een geïdealiseerd dichterportret. Een buste in het Seminario Patriarcale te Venetië, waarvan talrijke verwanten bekend zijn, geeft niet, zoals vroeger dikwijls verondersteld werd, V. maar Menander weer (vgl. J. Crome, Das Bildnis Vergils, Atti e Memorie della Accad. Virgiliana di Mantova 24, 1935; G. Richter, Portraits of the Greeks, London 1965, 224-236).

(II) Werken.

(A) Bucolica, een verzameling van tien herdersgedichten, ook Eclogae genoemd. De titel is afgeleid van βουκόλος, 'koeherder'. De collectie is door V. in een weloverwogen ordening gepubliceerd. In het beoefenen van het pastorale genre plaatste hij zich bewust in de hellenistische traditie van Theocritus, die de wereld van zijn op Sicilië levende herders vanuit het nostalgische én ironische perspectief van de stedeling beschreef. De feitelijke invloed van Theocritus is echter beperkt. V.' herdersleven is veel sterker geïdealiseerd en speelt zich af in een imaginair Arcadia, dat soms trekken van Sicilië vertoont, soms aan de Mincio bij Mantua wordt gesitueerd. In deze gedichten distantieert V. zich echter niet van de werkelijkheid, maar hij reageert daarop vanuit een gedroomde wereld. De landverdelingen na de slag bij Philippi (42 vC) leveren het thema voor de eclogae 1 en 9; Asinius Pollio, de dichter-politicus Gallus en Octavianus spelen een, soms verhulde, rol. Pogingen om deze gedichten geheel allegorisch te verklaren miskennen de complexiteit van de behandelde thematiek.

De grote aandacht voor het esthetische samenspel van klank, ritme, woordkeus en woordplaatsing in de hexameter is een belangrijk kenmerk van deze poëzie, die hierin de idealen van de Alexandrijnen en de neoterici superieur voortzet. Deze melodieuze composities hadden in Rome onmiddellijk groot succes; volgens Servius voerde de gevierde actrice Cytheris ze uit in het theater. De Bucolica stelden de normen voor de latere pastorale poëzie. In de 15e eeuw voegde Sannazaro's Arcadia hieraan de melancholische connotaties toe, die de pastorale wereld tot symbool voor de gouden tijd maken, een aspect dat in V. grotendeels ontbreekt. Een belangrijk thema in zijn bucoliek is de poëzie zelf; zijn Arcadia is vooral symbool voor zijn eigen dichterschap. De oudste eclogae zijn waarschijnlijk 2, 3, 5 en 9; 1, 6 en 4 dateren uit de periode tot herfst 40 vC; 8, 7 en 10 zijn in de periode tot herfst 39 vC geschreven.

Samenvatting van de inhoud.

De landverdelingen in 41 vC zijn het onderwerp van ecloge 1, een dramatische dialoog tussen Melibóeus, die zijn land moet verlaten, en Tityrus, die dank zij het ingrijpen van een 'god' op zijn gebied mag blijven. Tityrus vertelt dat hij naar het grote Rome is gegaan om zijn vrijheid te krijgen, dat een iuvenis (jongeman) hem daar toestemming gaf zijn land en zijn runderen te behouden; deze iuvenis - in het exacte midden van het gedicht genoemd - zal hij als een god vereren. Meliboeus' vreugde over Tityrus' geluk en de klacht om zijn eigen toekomst worden afgesloten door Tityrus' uitnodiging de nacht bij hem door te brengen; deze invitatie wordt door de vertrekkende Meliboeus al niet meer gehoord. De antieke allegorische interpretatie identificeerde de iuvenis met Octavianus, beschouwde Tityrus als persona van Vergilius en interpreteerde het gedicht als een dankbetuiging aan Octavianus voor de teruggave van V.' familiebezit. Wanneer men het gedicht zó leest, doet men echter geen recht aan onmiskenbare nuances. Zo is bijvoorbeeld het medelijden met de toekomst van Meliboeus te sterk aanwezig om deze ecloge als louter dankbetuiging op te vatten. Het schrille contrast tussen het lot van beide herders brengt verkeerde hoop tot uitdrukking dat de bucolische wereld, verstoord door het binnendringen van soldaten, zal worden hersteld, dat onder Octavianus ook Meliboeus weer zal kunnen 'zingen', zoals van Tityrus in muzikale bewoordingen wordt gezegd: Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi (vers 1).

Dezelfde thematiek ligt ten grondslag aan ecloge 9, waarin de herder Moeris aan zijn vriend Lycidas vertelt hoe zijn meester, de dichter Menalcas, een deel van zijn grondbezit moest afstaan aan een van Octavianus' veteranen; zijn beroep op Varus, belast met de toewijzingen rond Mantua, was vergeefs.

In ecloge 2 bezingt de herder Corydon zijn hopeloze liefde voor de beeldschone jongen Alexis, in de vorm van een dramatische monoloog. Terwijl het vee de schaduw zoekt en Thestylis de maaltijd bereidt voor de vermoeide maaiers, uit Corydon zijn klacht, die slechts door de cicaden gehoord wordt. Na een opsomming van wat hij Alexis kan bieden ziet Corydon in dat zijn liefde vergeefs is; Alexis' huidige minnaar, Iollas, Corydons meester, is rijker dan hijzelf. In dit gedicht verwerkt V. motieven uit Theocritus' elfde idylle, waarin de Cycloop zingt van zijn pathetische passie voor de nimf Galatea. Deze groteske minnaar in Theocritus is door V. getransformeerd tot de aanvankelijk bezeten Corydon, die geleidelijk tot inzicht komt over zijn irrationeel gedrag, zichzelf aanspoort om zijn verwaarloosde plichten weer op te nemen en troost zoekt in de gedachte een andere Alexis te zullen vinden.

In ecloge 3 dagen de herders Menalcas en Damoetas elkaar uit tot een zangwedstrijd, die onbeslist eindigt.

In ecloge 7 heeft een dergelijke wedstrijd plaats tussen Corydon en Thyris, beoordeeld door Meliboeus en Daphnis.

De beroemdste ecloge is 4, opgedragen aan Asinius Pollio, waarin de geboorte van een kind onder diens consulaat (40 vC) wordt voorspeld. Tijdens het leven van dit kind zal het gouden tijdperk terugkeren. De kerkvaders en vroege middeleeuwen interpreteerden dit gedicht als een profetische aankondiging van de Messias, hierin gesteund door de visionaire toon, die soms aan Jesaja herinnert. Over de identiteit van het kind is veel gespeculeerd: de verwachte zonen van Pollio, van Antonius en van Octavianus komen allen in aanmerking, maar de tekst geeft geen uitsluitsel. Symbolische interpretaties vatten het 'kind' op als de vrede van Brundisium, die als begin van de gouden tijd zou zijn opgevat, of zelfs als V.' eigen poëzie. Interessant is de relatie met de pessimistische 16e epode van Horatius, waarin wordt gesteld dat de gouden tijd slechts aan de overzijde van de Oceaan is te vinden, ver weg van het gedoemde Rome. De vraag welke dichter hier op wie reageert, is helaas niet goed te beantwoorden.

In ecloge 5 zingen Mopsus en Menalcas over de dood en de vergoddelijking van Daphnis, de leider en beschermer van de bucolische wereld, die de aan de mens opgelegde beperkingen overwint. De vergelijking met de vergoddelijkte Iulius Caesar ligt hier voor de hand. Het lied over de apotheose is een optimistische aanvulling op Theocritus' eerste idylle. Ecloge 6 is opgedragen aan Lucius Alfenus Varus; twee herders vangen de satyr Silenus, die in ruil voor zijn vrijlating zingt over het ontstaan van de wereld en over een ontmoeting tussen de dichter Gallus en de Muzen, een voor ons onbegrijpelijke toespeling op een van Gallus' gedichten.

Ecloge 8 bestaat uit twee solo-zangen: Damon vertolkt de klacht van een bedrogen liefde die eindigt in zelfmoord; Alphesiboeus antwoordt met de magische zang waarmee een meisje haar ontrouwe geliefde, Daphnis, terugwint.

Ecloge 10 is expliciet als afsluiting van de collectie geschreven. De dichter-staatsman Gallus betreedt Arcadia en klaagt over zijn ontrouwe geliefde Lycons, in verzen die allusies op Gallus' poëzie bevatten. Aan het slot neemt V. zelf afscheid van de pastorale poëzie, gesymboliseerd als een 'mandje van soepele malvetakken'.


Uitgaven: zie ook Lit. Algemeen, Uitgaven. Afzonderlijke uitgaven met commentaar: H. Holtorf, Vergil, Die grösseren Gedichte 1. Bucolica/Freiburg i.B. 1959). J. Perret, Virgile, Les Bucoliques (Paris 1961, L1970). G. Stegen. Virgile, Les Bucoliques 1, 3, 5, 10 (Namur 1964). R. Coleman, Vergil, Éclogues (Cambridge 1977). R. D. Williams, Vergil, The Eclogues and Georgics (Basingstoke/London 1979). E. Coleiro, An Introduction to Vergil's Bucolica, with a critical edition of the text (Amsterdam 1979).

Met engelse vertaling en commentaar: A J. Boyle, Publii Vergilii Maronis Bucolicorum eclogae decem (Melbourne 1976). - Nederlandse vertaling: A. van Wilderode, V., Bucolica, Herdersgedichten (Brugge/Utrecht 1971).

Studies: H. J. Rose, The Eclogues of Vergil (Sather Classical Lectures 16, Berkeley 1942). W. Wimmel, Kallimachos in Rom (Wiesbaden 1960). T. G. Rosenmeyer, The Green Cabinet. Theocritus and the European Pastoral Lyric (Berkeley 1960). V. Pöschl, Die Hirtendichtung Vergils (Heidelberg 1964). M. C. Putnam, Virgil's Pastoral Art. Studies in the Eclogues (Princeton 1970). E. Schmidt, Poetische Reflexion. Vergils Bukolik (München 1972). W. Berg, Early Vergil (London 1974) 26-93. R. Ketteman, Bukolik und Georgik. Studien zu ihrer Affinität bei Vergil und später (Heidelberg 1977). J. Van Sickle, The Design of Virgil's Bucolics (Rome 1978). C. Segal, Poetry and Myth in Ancient Pastoral. Essavs on Theocritus and Virgil (Princeton N. J. 1981). - Over afzonderlijke eclogae: A. Leeman, Complexiteit en intentie in Vergilius' eerste ecloga (Lampas 4, 1971, 210-224). - E. Norden, Die Geburt des Kindes. Geschichte einer religiösen Idee (Leipzig/Berlin 1924, '1931 = Darmstadt 1969). V. Schmidt, Redeunt Saturnia regna. Studien zu Vergils vierter Ecloga (Diss. Groningen 1977). S. Benko, Virgil's Fourth Eclogue in Christian Interpretation (in H. Temporini/W. Haase edd., Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II, 31, 1, Berlin/ New York 1980, 646-705)T -B. Frischer, At tu aureus esto. Eine Interpretation von Vergils 7. Ekloge (Bonn 1975).


(B) Georgica. In de jaren 37-29 schreef V. zijn leerdicht over 'het boerenbedrijf' in vier boeken van totaal 2188 hexameters. Het werk is opgedragen aan Maecenas, op wiens aandringen V. deze taak op zich nam. Op dit gedicht is de politieke, sociale en economische ontreddering vanaf de moord op Julius Caesar tot de nederlaag van Antonius' leger bij Actium (31 vC) van grote invloed geweest. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de aangrijpende finale van het eerste boek (466-514), een emotioneel gebed tot de goden om toe te staan dat de jonge Octavianus de wereldwijde chaos zal bedwingen.

Enkele van dergelijke passages zijn kennelijk in de slotfase van het werk geschreven: de prooemia op 1 en 3, waarin Octavianus als enige leider wordt bezongen en waarin gezinspeeld wordt op zijn te verwachten vergoddelijking; de prachtige lofzang op Italië (2, 136-176); de epiloog (4, 559-562), waarin Octavianus' campagne in het Oosten in de winter van 30/29 wordt vermeld. De idyllische beschrijving van een tuin in Tarente (4, 116-148) wordt door V. zelf aan het eind van zijn inspanningen gesitueerd. Suetonius vertelt dat V., afgewisseld door Maecenas, het voltooide gedicht in Atella voorlas aan Octavianus bij diens terugkeer in Italië in de zomer van 29.

Hoewel de Georgica goed aansluiten bij de augusteïsche landbouwpolitiek, die erop gericht was de door burgeroorlogen verlaten landerijen tot nieuwe bloei te brengen, is de verwantschap met de geestelijke idealen van het nieuwe regime veel sterker: de liefde voor het land en (nostalgische) bewondering voor het eenvoudige boerenleven.

In 2, 176 noemt V. zijn gedicht een Ascraeum carmen, waarmee hij eer bewijst aan het gekozen literaire voorbeeld Hesiodus. De navolging van diens 'Werken en Dagen' beperkt zich echter vooral tot de respectvolle houding tegenover de landbouw als res antiquae laudis et artis (2, 274); directe ontleningen aan Hesiodus zijn gering in aantal en vrijwel beperkt tot boek 1. De titel Georgica plaatst het gedicht in de traditie van de alexandrijnse didactische poëzie van Aratus en Nicander, van wie de invloeden duidelijk aantoonbaar zijn. De sterkste invloed echter in zowel stilistisch als inhoudelijk opzicht ging uit van Lucretius' natuurwetenschappelijk gedicht De rerum natura, waarop de Georgica voor een deel een polemische reactie zijn; tegenover de epicureïsche opvatting over de afzijdigheid van de goden plaatst V. nadrukkelijk de Voorzienigheid uit de stoïsche filosofie. Bewondering voor Lucretius klinkt door in 2, 490: 'Gelukkig wie der dingen oorzaak mocht doorgronden', waaraan V. zijn eigen ideaal toevoegt: 'Gelukkig ook wie kent de landelijke goden'. Tegenover Lucretius' opvattingen over de onafwendbare achteruitgang van de wereld stelt V. de mogelijkheid om door technische kennis en zware arbeid een relatief paradijselijk bestaan te handhaven.

Eevenals Lucretius componeerde V. zijn werk in boekparen. Terwijl de structuur van De rerum natura echter een pessimistische levensvisie accentueert - de verouderende wereld aan het slot van 2, de destructieve krachten van sexuele hartstochten aan het eind van 4, de beschrijving van de pest aan het slot van 6 - besluit V. boek 2 met een lofzang op het landleven (458-540), boek 4 met de mythe van Aristaeus, symbolisch voor het zich steeds vernieuwende leven. De lichte tonen van de onderwerpen in 2 en 4 contrasteren effectief met de donkere beschrijvingen van de zware strijd tegen achteruitgang in 1 en van ziekte en dood in 3. Variatio en antithese bepalen voor een belangrijk deel de opbouw van het gedicht.

In de Georgica worden de volgende onderwerpen behandeld: de landbouw (1), het kweken van bomen en de wijnbouw (2), de veeteelt (3) en de bijenteelt (4). In deze systematische opzet zijn een aantal 'excursen' opgenomen, die de algemene politieke en filosofische achtergronden van het gedicht belichten en derhalve onmisbaar zijn voor de interpretatie van het werk als geheel.

Samenvatting van de inhoud van de afzonderlijke boeken.
Boek 1. In het prooemium wordt de hulp van de landelijke goden ingeroepen, en ook van Octavianus, die in de barokke stijl van de hellenistische traditie als toekomstige godheid wordt geprezen. Vervolgens worden voorschriften gegeven over het ploegen van de verschillende soorten grond, het gereedschap van de boer, de bestrijding van onkruid en ongedierte en de selectie van zaden (43-203). In deze passage ligt sterke nadruk op de noodzaak van niet aflatende inspanning van de boer. De tweede helft geeft informatie over de 'boerenkalender', die de juiste momenten voor de diverse werkzaamheden bepaalt, en behandelt de mogelijkheden om het weer te voorspellen, vooral met behulp van de maan en de zon (204-463). Na een bespreking van de omineuze tekens ten tijde van de moord op Caesar keert V. terug naar het thema van de proloog: de epiloog is een indrukwekkend gebed tot de oude romeinse goden om Octavianus te sparen en in staat te stellen een einde te maken aan de talloze verwoestende oorlogen in Italië en over de gehele wereld, een gebed afgesloten door de vergelijking van Mars met een wagenmenner die zijn paarden niet meer in bedwang; kan houden. Het didactisch materiaal is vooral ontleend aan Theophrastus, Cato maior en Varro; de passage over de weertekens is gebaseerd op Aratus' Phaenomena. Dit materiaal wordt verwerkt tot een ethisch-religieus systeem, waarbinnen de natuur wordt gezien als georganiseerd en geleid door goddelijke machten, die de mens in principe in staat stellen zijn doel te bereiken. Van belang is de rechtvaardiging van de door Juppiter aan de mens opgelegde noodzaak tot zware arbeid in de verzen 118-159. Tegenover Hesiodus' opvatting van arbeid als straf stelt V. dat Juppiter bewust een einde heeft gemaakt aan de gouden tijd, waarin de aarde uit zichzelf voedsel voortbracht, om de mens te dwingen zijn rationele en creatieve vermogens te ontwikkelen. Gebrek en ontbenng hebben de mens - overeenkomstig de voorzienigheid van Juppiter - aangezet tot de ontwikkeling van artes, techniek en cultuur.

Door niet aflatende inspanning is de mens in staat de gouden tijd, voorzover wenselijk, zelf te creëren. Deze teleologische opvatting over de menselijke arbeid plaatst het boerenbedrijf in een groter verband, als paradigma voor de menselijke beschaving, die zich volgens goddelijk plan ontwikkelt.

Boek 2, in veel lichtere toon geschreven, behandelt de methoden om bomen te kweken, de soorten bomen en wijnranken, de typen grond in Italië en waar deze geschikt voor zijn. De tweede helft bevat voorschriften over de aanplant en de verzorging van wijngaarden. Indrukwekkend is de lofzang op de vruchtbaarheid van Italië (136-176), dat alle nadelen van extreme oosterse landen mist en door zijn schitterend klimaat alleen nuttige gewassen en dieren overvloedig voortbrengt. Deze geïdealiseerde beschrijving van flora en fauna gaat over op de schoonheid van het landschap en op de door Agrippa in 37 vC aangelegde Portus Iulius, een hoogtepunt van technisch kunnen. Tenslotte worden de volkeren van Italië geprezen om hun dapperheid, afgesloten met een lofzang op Octavianus, die in Asia over de Indi zegeviert. Lucretiaans van toon is de juichende beschrijving van de levenbrengende Lente (315-345). De optimistische toon van boek 2 culmineert in de lofzang op het idyllische leven op het land, gecontrasteerd met het hectische en immorele leven in de grote stad (458-542).

Boek 3 behandelt selectief het fokken en verzorgen van paarden voor de oorlog en voor wedrennen en van runderen (49-283); schapen en geiten komen aan de orde in de verzen 284-469. Het geheel wordt afgewisseld met beschrijvingen van het herdersleven in Libya en in het hoge Noorden. Deze didactische stof wordt benut voor een digressie over de destructieve macht van sexualiteit over mens en dier (209-283). De sombere toon van dit boek, waarin passie en dood het hoofdthema vormen, vindt zijn voltooiing in de tragische finale (470-566), waarin de gruwelijke gevolgen voor mens en dier van een pestepidemie in Noricum worden verhaald; deze passage is een navolging van Lucretius' beschrijving van de pest in Athene (6, 1138-1251). Kenmerkend voor V.' antropomorfe voorstelling van de natuur is de passage waarin het verdriet van een trekos over de plotselinge dood van zijn broer wordt geëvoceerd (515-519). In het prooemium spreekt V. zelfbewust over zijn dichterlijke voornemens: in een visioen ziet hij zichzelf als leider van spelen in zijn geboortestad Mantua, waar hij aan de oever van de Mincio een tempel voor Caesar zal oprichten, met diens cultusbeeld in het midden opgesteld; 100 renwagens zullen daar strijden om de eer; afbeeldingen op de tempeldeuren zullen Caesars overwinningen in het Oosten symboliseren. Het is een intrigerende vraag of deze allegorische aankondiging van een nationaal epos naar de Aeneis verwijst of naar een niet verder uitgewerkt ander plan van V. Een mogelijk model voor de panegyrische doelstelling van deze allegorie is het prooemium op boek 3 van Callimachus' Aitia, de Victoria Berenices.

Boek 4 behandelt de wereld van de bijen, een 'gering onderwerp', maar van groot belang. In de eerste helft worden de overeenkomsten tussen de bijenstaat en de menselijke samenleving benadrukt, o.a. in de beschrijving van de machtsstrijd tussen twee bijenkoningen (de rol van de koningin is pas door Jan Swammerdam ontdekt), Hun trouw aan huis en wetten, de gezamenlijke arbeid en verdeling van de opbrengst, de voortplanting zonder sexualiteit, hun volkomen loyaliteit jegens de leider tekenen een in vele opzichten ideale maatschappij. De passage eindigt met de vermelding van een theorie (219-227) dat bijen deel hebben aan de goddelijke geest, een opvatting die door Anchises in Aeneis 6 ten aanzien van al wat leeft wordt verkondigd. De vermelding van de bugonia - volgens wijdverbreide antieke opvatting ontstaan bijen door spontane generatie uit het karkas van een stier - voert naar de ontdekking van dit verschijnsel door Aristaeus (315-558). In dit kader wordt in de vorm van een epyllium de mythe van Orpheus en Eurydice verteld. Wanneer de heros Aristaeus al zijn bijen is kwijtgeraakt, raadt zijn goddelijke moeder hem aan de zeegod Proteus te raadplegen. Deze vertelt dat Eurydice door Aristaeus' schuld is gestorven en dat Orpheus toestemming had gekregen haar uit de onderwereld terug te halen mits hij niet om zou kijken; Orpheus echter vergat deze voorwaarde, waardoor hij Eurydice voor altijd verloor. Wanneer Aristaeus de schimmen van Orpheus en Eurydice heeft verzoend door een offer van stieren, wordt een nieuwe bijenzwerm uit de karkassen geboren. De verbinding tussen beide mythen wordt hier door V. aangebracht:
in de traditionele versie was Orpheus succesvol in zijn onderneming. De combinatie van beide mythen in dit epyllium, alsmede de functie van deze passage binnen het gedicht als geheel, is voorwerp van velerlei symbolische interpretaties, waarin het contrast tussen de tragische individuele dood en de collectieve wedergeboorte als zinvolle finale van de Georgica centraal staat.

Servius vertelt dat de tweede helft van boek 4 oorspronkelijk een lofzang op Gallus bevatte, de prefect van Egypte die in 27 vC in ongenade viel en zelfmoord pleegde. Na diens damnatio memoriae zou V. het Aristaeus-epyllium daarom hebben gesubstitueerd. Uit deze nogal twijfelachtige mededeling blijkt wellicht dat de interpretatie van deze mythe ook in de oudheid vragen heeft opgeroepen.

De Georgica zijn een leerdicht, maar niet bestemd als een practische leidraad voor de kleine boer; gezien de sterk selectieve behandeling van de stof kon deze beter te rade gaan bij de verhandelingen van Cato maior en het in 36 verschenen werk van Varro. Seneca (Epistula 86) merkt op dat V. niet de boeren wilde onderwijzen, maar zijn lezers esthetisch genot wilde schenken en vooral geïnteresseerd was in voor poëzie geschikte onderwerpen. Naast deze esthetische functie van de poëtische behandeling van prozaïsche stof, benadrukken de Georgica door hun inhoud en structuur dat de mens relatief gelukkig kan leven, mits hij zijn kracht en intellect voortdurend inzet tegen de krachten van de natuur.

De goddelijke voorzienigheid biedt in principe de mogelijkheid tot een zinvol bestaan, te realiseren onder het nieuwe regime van Augustus. Zo is de beschrijving van het boerenleven tevens in hoge mate symbolisch voor het bestaan van de mens in het algemeen, in zijn politieke en sociale kontekst en vooral - in zijn relatie tot de natuur en de goden. Montaigne achtte de Georgica 'le plus accomply ouvrage de la poésie', Pope 'the best poem of the best poet'.


Uitgaven: zie ook Lit. Algemeen, Uitgaven. Afzonderlijke uitgaven met commentaar: P. Lejay, Virgile, Les Géorgiques (Paris 1915). E. Paratore, Virgilio, Georgiche I-II (Milaan 1946, 1959). W. Richter, Vergil, Georgica (München 1957). F. della Corte, Virgilio, Le Georgiche,libro III (Turijn 1957). Id., Virgilio, Le Georgiche, libro IV (ib. 1960). H. H. Huxley, Vergil, Georgics I and IV (London 1963). R. D. Williams, Vergil, The Eclogues and Georgics (Basingstoke/ London 1979). - Met franse vertaling: E. de Saint-Denis, Virgile, Géorgiques (Paris 1956). - Nederlandse vertaling: I. Gerhardt, V., Het boerenbedrijf (Den Haag/Amsterdam 1949, ²1969). Studies: R. Billiard, L'agriculture dans l'antiquité d'après les Géorgiques de Virgile (Paris 1928). E.K. Rand, The Magical Art of Virgil (Cambridge Mass. 1931 = Hamden Conn. 1966). H. Klepl, Lukrez und Vergil in ihren Lehrgedichten. Vergleichende Interpretationen (Dresden 1940 = Darmstadt 1967). H Altevogt, Labor improbus. Eine Vergilstudie (Münster 1952). E.M. Abbe, The Plants of Vergil's Georgics (Ithaca N.Y. 1965). L.P. Wilkinson, The Georgics of Vergil. A critical survey (Cambridge 1969). - K.-H. Pridik, Vergils Georgica. Strukturanalytische Interpretationen (Diss. Tübingen 1971). V. Buchheit, Der Anspruch des Dichters in Vergils Georgika. Dichtertum und Heilsweg (Impulse der Forschung 8, Darmstadt 1972). M. C. Putnam, Vergil's Poem of the Earth. Studies in the Georgics (Princeton 1979). G. B. Miles, Virgil's Georgics. A new interpretation (Berkeley/Los Angeles 1980). Boyancé, La religion des 'Géorgiques' à la lumière des travaux récents (in H. Temporini/W. Haase edd., Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II, 31, 1, Berlin/New York 1980, 549-573). P. Johnston, Vergil's Agricultural Golden Age. A study of the Georgics (Leiden 1980).


(C) Aeneis. 1. Ontstaan. Na enkele jeugdige experimenten met epische poëzie (ecloge 6, 3) en de aankondiging van een historisch epos over Octavianus in het prooemium van Georgica 3, werkte V. de laatste elf jaar van zijn leven aan de Aeneis, een mythologisch-historisch epos. Bij zijn dood was het werk niet geheel voltooid, zoals ook blijkt uit enkele inhoudelijke inconsistenties en 58 halve verzen. De inhoud van de Aeneis is echter op zichzelf een afgerond geheel. Donatus vertelt dat V. dichtte op basis van een proza-ontwerp, waaruit hij - naar het hem uitkwam - gedeelten bewerkte; tussen sommige passages legde hij een provisorische verbinding. Tijdens een recitqtio zou V. eens twee halve verzen improviserend hebben aangevuld en deze in de tekst laten noteren. Het gedicht vertelt de lotgevallen van Aeneas, zoon van de godin Venus en de trojaanse vorst Anchises, op zijn tocht vanuit het door de Grieken veroverde Troje naar het italische Latium, van waar uit zijn nakomelingen Rome zullen stichten. Het verhaal is een bewuste voortzetting van Homerus' Ilias - waarin Aeneas overigens een geringe rol speelt -, maar dan gezien vanuit het perspectief van de verslagen Trojanen. De keuze van Venus' zoon Aeneas als stamvader van het romeinse rijk was in overeenstemming met oudere tradities en sloot tegelijk aan bij de vooral door Caesar gepropageerde afstamming van het Julische Huis; onder Augustus werd de verering van Venus tot staatscultus verheven. Het mythische verleden waarin de Aeneis zich afspeelt is op vele manieren nauw verbonden met het historische heden van de augusteïsche tijd, die hierdoor wordt voorgesteld als de zinvolle vervulling van de gehele voorafgaande ontwikkeling, de door de goden gewilde Pax Augusta. Deze versluierde lofzang op het bewind van Augustus is een wezenlijk kenmerk van dit epos, dat als een symbolische Augusteis kan worden beschouwd. Augustus' grote belangstelling voor de voortgang van het werk bleek uit de vele brieven die hij tijdens zijn expeditie in Cantabria (27-25 vC) aan V. stuurde. Volgens een andere overlevering las V. de boeken 2, 4 en 6 voor aan Augustus en Octavia, waarbij de laatste bij de passage over haar onlangs (in 23 vC) gestorven adoptiefioon Marcellus in onmacht zou zijn gevallen.

2. Het verhaal van de Aeneis beslaat een periode van zeven jaar, vanaf de val van Troje tot de uiteindelijke overwinning op de italische volken in Latium. De gebeurtenissen van de eerste zes jaren zijn echter geen onderdeel van de handeling, maar worden in retrospectie door Aeneas aan de carthaagse koningin Dido verteld. De dramatische handeling speelt zich af in het zevende iaar, begint op het moment dat de trojaanse vloot dicht bij Sicilië door een storm wordt overvallen en eindigt met het beslissende tweegevecht tussen Aeneas en zijn belangrijkste italische tegenstander, Turnus. Binnen dit handelingsverloop bevat het epos een aantal prospectieve passages, dromen en profetieën, die deels verwijzen naar de gebeurtenissen binnen het verhaal, deels naar de verdere toekomst. Juppiters voorspelling tot Venus in boek 1 omvat globaal de romeinse geschiedenis tot de sluiting van de Janus-tempel in 29 vC; in de heldenschouw in boek 6 wijst Anchises een reeks 'historische' Romeinen aan, onder wie de koningen, maar ook personen uit de latere geschiedenis als Cato, Catilina en Octavianus' adoptiefzoon Marcellus; in de schildbeschnjving in boek 8 staan de recente slag bij Actium (31 vC) en Cleopatra's dood centraal. Verder bevat de Aeneis ook een aantal impliciete verwijzingen naar de historische toekomst: Dido's vervloeking van de Trojanen zal resulteren in de punische oorlogen; de wijding van een schild aan Apollo in Actium (boek 3) anticipeert de wijding van een tempel aan Apollo door Octavianus in 27 vC. Ook door het aanbrengen van typologische overeenkomsten tussen personages (Aeneas - Romulus - Augustus; Turnus - Acrhilles) en situaties, vooral met het homerische epos, biedt V. een teleologische interpretatie van het verleden, die de gebeurtenissen in Ilias, Odyssee en Aeneis verbindt met de hoopvolle toekomst onder Augustus. In het prooemium op boek 1 noemt V. de oorzaken van Juno's wrok tegen de Trojanen: het Paris-oordeel en de toekomstige suprematie van Rome over Carthago. Deze wrok, een belangrijk element in de handeling, typeert een aspect van V.' godenapparaat: terwijl de loop van het lot door Juppiter is vastgesteld, kunnen de gebeurtenissen worden getraineerd door andere goden, die vooral uit zelfzuchtige motieven handelen; zo zijn bv. Dido en Turnus slachtoffers van de manipulaties van Venus en Juno. Deze houding van de goden, die in V.' tijd een meer symbolische betekenis hadden dan voor Homerus' publiek, is aanleiding tot de vraag in 1, 11: tantaene animis caelestibus irae?, die preludeert op een belangrijk thema: de vraag naar de rechtvaardigheid van goden tegenover mensen. Het slotvers van het prooemium - tantae molis erat Romanam condere gentem - verwoordt een ander thema: het stichten van Rome ging ten koste van groot persoonlijk leed en de opoffering van individuele belangen. Het ontbreken van enige verheerlijking van oorlog en het steeds aanwezige medelijden met de slachtoffers van Rome's bestemming zijn recentelijk wel geïnterpreteerd als V.' uitingen van twijfel aan de zinvolheid van Rome's goddelijke opdracht en als waarschuwing aan Octavianus voor de corrumperende werking van macht. Stellig zijn de 'tendresse profonde' (Saint-Beuve) en 'that accent of brooding sorrow' (Myers) kenmerkend voor V.' empathetische, subjectieve behandeling van zijn stof.

3. Literaire achtergronden. Dat Ilias en Odyssee de belangrijkste bron van inspiratie voor de Aeneis waren, is reeds in de oudheid opgemerkt. Deze constatering was vooral aanleiding tot erudiete discussies over de relatieve verdiensten van beide dichters (-, Macrobius' Saturnalia 5) en tot het opstellen van lijsten parallelplaatsen door o.a. Octavius Avitus en Perellius Faustus. De overeenkomsten gaan echter veel verder dan verbale imitaties. In bewuste wedijver verwerkt V. homerische conventies (zoals de epische' vergelijking en het godenapparaat), typische scènes (ioals de troepencatalogus in Ilias 2 en Aeneis 7; de lijkspelen voor Patroclus in Ilias 23 en voor Anchises in Aeneis 5; de afdaling in de onderwereld in Odysee 11 en Aeneis 6), alsmede de structuur van hele scènes (zoals de gebeurtenissen in Aeneis 1 - Odyssee 5-8; Aeneas' verhaal aan Dido Odysseus' verhaal aan de Phaeaken; de ontmoetingen in de onderwereld met Dido in Aeneis 6, 450-476, met Aias in Odyssee 11, 541-567 (ook numeriek gelijk) en Aeneas' bezoek aan Euander, waarin Telemachus' bezoek aan Nestor en Menelaüs' bezoek aan Sparta zijn verwerkt. Daarnaast brengt V. overeenkomsten aan in de karakters en situaties van zijn personages en de homerische helden: Aeneas Hector, Turnus - Achilles, Pallas - Patroclus. In inhoudelijk en structureel opzicht vertonen tenslotte de boeken 1-6, waarin Aeneas' zwerftochten beschreven worden, sterke gelijkenis met de Odyssee als geheel, de boek 7-12, de gevechten in Latium, metde Ilias. Deze bewuste adaptatie van het zo bewonderde homerische model wordt door V. onder meer gebruikt om de grote verschillen tussen de homerische wereld en die van de Aeneis scherp naar voren te brengen; door wijzigingen en verschuivingen ten opzichte van het gekozen kader geeft hij een nieuwe interpretatie aan typologisch verwante gebeurtenissen en zet zijn moderne heroïsche idealen, gericht op de belangen van de gemeenschap, af tegen de op individuele roem gerichte prestaties van de homerische held. De oppervlakkig bezien grote overeenkomsten met Homerus dienen in feite om de verschillen tussen beide werelden te benadrukken.

Verder verwerkte V. in de Aeneis zijn uitvoerige kennis van de 5e-eeuwse griekse tragici; met name is de invloed van Euripides' Troades en Hecuba in boek 2 duidelijk aanwijsbaar. Van de hellenistische literatuur leverde Apollonius Rhodius' romance tussen Iason en Medea het concept voor de Dido-tragedie in de boeken 1, 4 en 6. Van zijn romeinse voorgangers heeft V. het nationale epos Annales van Ennius als inspiratiebron gekozen, in stilistisch, maar ook in inhoudelijk opzicht. Illustratief voor zijn creatieve behandeling van traditionele stof is een vergelijking tussen het gedwongen terugtrekken van Turnus in Aeneis 9, 806-818 en de modelpassage Ennius, Annales 401-408, waarbij beide dichters variëren op het terugtrekken van Aias in Ilias 16. De sterke invloed van Catullus is vooral merkbaar in die passages waarin V. de emoties van zijn passages van binnen uit weergeeft; deze subjectieve, invoelende stijl is door Catullus vooral in carmen 64 gedemonstreerd. Tenslotte heeft V. zich vooral in metrisch en stilistisch opzicht laten inspireren door het leerdicht van Lucretius.

Het incorporeren van deze en vele andere auteurs uit de verschillende periodes van de griekse en latijnse literatuur, in combinatie met de uitdrukking van eigen gevoelens ten opzichte van actuele politieke gebeurtenissen, maakt de Aeneis tot een synthese van menselijke ervaringen uit de gehele voorafgaande cultuur, tot een universeel dichtwerk, waarin de literatuur van Griekenland en Rome dienstbaar gemaakt wordt aan de zingeving van de gebeurtenissen in V.' eigen tijd.

tekst

4. Inhoudsoverzicht van de Aeneis.

Boek 1. In de proloog verzoekt de dichter de Muze hem bij te staan en zet kort de inhoud van zijn gedicht en de voorgeschiedenis van Juno's wrok tegen de Trojanen uiteen (1-33). Juno brengt Aeolus, de god der winden, ertoe een storm te doen opsteken, waarin een deel van Aeneas' schepen vergaat. Na het ingrijpen van Neptunus landt Aeneas met de rest van de vloot op de kust van Africa, dicht bij Carthago. Op weg naar de stad vertelt Venus, zijn moeder, hem over de phenicische koningin Dido, die haar vaderland ontvluchtte toen haar echtgenoot Sychaeus was vermoord en die nu in Carthago een nieuw rijk vestigt. In de stad aangekomen ziet Aeneas scènes uit de trojaanse oorlog afgebeeld op de muren van de tempel van Juno, waaruit hij vol hoop concludeert dat hét lot van de Trojanen de koningin ter harte zal gaan (sunt lacrimae rerum). Dido ontvangt de Trojanen gastvrij en vraagt Aeneas tijdens een feestmaal in haar paleis zijn wederwaardigheden te vertellen. Venus heeft intussen Aeneas' zoon Ascanius (ook Iulus genoemd) verwisseld voor Cupido, om Dido van liefde voor Aeneas te vervullen. Aeneas' verhaal van de gebeurtenissen vormt de inhoud van de boeken 2 en 3.

Boek 2. Aeneas vertelt, als ooggetuige, de ondergang van Troje: het leugenverhaal van Sinon, het binnenhalen van het fatale houten paard tegen de raadgeving van Laocoön, het doden van koning Priamus door Neoptolemus en de brand van de stad. Toen Venus hem vertelde dat de val van Troje door het Lot was vastgesteld, besloot hij te vluchten met o.a. zijn vader Anchises, Ascanius en de beelden van de penaten; de schim van zijn vrouw Creüsa spoorde hem aan zijn taak te volvoeren: het stichten van een nieuw rijk in Italië.

Boek 3. Aeneas vertelt zijn verdere lotgevallen. Met een aantal vluchtelingen bouwt hij een vloot en zeilt naar Thracië, Delus en Kreta. In Epirus zegt Helenus, die koning is geworden over Achilles' bezit in Thracië en gehuwd is met Andromache, hem via Sicilië naar de westkust van Italië te gaan en de Sibylle in Cumae te raadplegen. Bij de Etna zien ze de Cycloop en pikken een van Odysseus' metgezellen op. Anchises sterft in Drepanum. De gebeurtenissen in boek 3 - de zwerftochten over zee tot de schipbreuk bij Noord-Afrika - beslaan een aantal jaren.

Het thema van boek 4 is het tragische verloop van Dido's liefde voor Aeneas, haar ontwikkeling van trotse, alom geëerde koningin tot diep gekwetste vrouw, die, in de steek gelaten en door omwonende volkeren bedreigd, in de dood haar enige uitweg ziet. De combinatie van de epische en de tragische vorm in de psychologische uitbeelding van de hartstocht van Dido, verscheurd tussen trouw aan haar overleden echtgenoot en haar liefde voor Aeneas, maken dit boek tot een hoogtepunt in V.' werk. De sympathie voor de Dido-figuur bij generaties van lezers is een bewijs van V.' geslaagde poging om persoonlijk leed en de algemene belangen van het trojaanse volk schrijnend tegenover elkaar te stellen. In het begin van 4 verklaart Dido tegenover haar zuster Anna haar liefde voor de vreemdeling en het dilemma waarin ze verkeert. Voor de charmes van de oosterse koningin - die voor de romeinse lezer in V.' tijd associaties met de latere Cleopatra zal hebben opgeroepen - blijft Aeneas niet ongevoelig. Op gezamenlijk initiatief van Juno en Venus schuilen Dido en Aeneas tijdens een jachtpartij voor een losbarstend noodweer in een grot, waar zij hun liefde bezegelen. Wanneer Aeneas door deze verhouding zijn goddelijke opdracht dreigt te vergeten, zendt Juppiter zijn bode Mercurius met het bevel Carthago te verlaten. Aeneas' heimelijke voorbereidingen voor zijn vertrek worden door Dido opgemerkt.

In een aangrijpend gesprek probeert ze Aeneas te weerhouden: wanneer deze zegt de opdracht van de goden en de belangen van zijn zoon en zijn volk boven zijn eigen verlangens te stellen, barst Dido uit in razernij; ze uit sarcastisch haar ongeloof in deze goddelijke opdracht en vervloekt haar geliefde. Wanneer haar poging om Aeneas althans nog enige tijd te laten blijven mislukt, kiest Dido wanhopig voor zelfmoord. Bij het overhaast wegzeilen van Aeneas kondigt ze eeuwige vijandschap aan tussen de Puniërs en de Trojanen (een verwijzing naar de toekomstige punische oorlogen) en doorsteekt zichzelf met Aeneas' zwaard. Uit medelijden met de koningin, die buiten haar schuld ontvlamd is in een fatale liefde, geeft Juno opdracht aan Iris Dido's ziel van haar lichaam vrij te maken.

Boek 5. Aeneas ziet de gloed van Dido's brandstapel, zonder de toedracht te beseffen. Terug op Sicilië herdenkt hij de sterfdag van zijn vader met grootse lijkspelen in navolging van Homerus' lijkspelen voor Patroclus). De afsluiting van deze spelen, in de vorm van een ceremoniële ruiterparade, wordt verstoord wanneer de trojaanse vrouwen, op instigatie van Juno, de vloot in brand steken uit verlangen zich blijvend op Sicilië te vestigen; vier schepen gaan verloren. Wanneer Aeneas aarzelt of hij de reis wel zal voortzetten, verschijnt hem Anchises, die hem beveelt met zijn dapperste volgelingen naar Italië te gaan en hem met behulp van de Sibylle in de onderwereld op te zoeken, teneinde zijn bestemming te vernemen. De zwakkere Trojanen blijven achter en stichten Acesta. Onderweg slaat Aeneas' stuurman Palinurus overboord en verdrinkt; volgens een overeenkomst tussen Venus en Neptunus betaalt hij met zijn leven voor de veiligheid van allen.

Boek 6. Aeneas landt in Italië en begeeft zich naar Apollo's tempel in Cumae om de Sibylle te raadplegen. In profetische extase voorspelt zij Aeneas een rijk in Italië na zware oorlogen om een tweede Helena, die met steun van een griekse stad gewonnen zullen worden. Om toegang tot de onderwereld te krijgen moet Aeneas op zoek gaan naar de gouden tak. Na rituele offers bij de ingang van de Avernus daalt hij af in de Hades, onder geleide van de Sibylle, en komt bij de Acheron, waar de zielen van de onbegravenen op hun overtocht wachten. Hier ontmoet hij Palinurus en belooft hem zijn lichaam te zullen begraven. Bij het zien van de gouden tak zet Charon hen over de Styx, waarna Cerberus, de bewaker van de Hades, tijdelijk wordt uitgeschakeld. In de Treurige Velden (Lugentes Campi) zien ze de schimmen van hen die ontijdig zijn gestorven, van kinderen die direct na hun geboorte overleden, van onschuldig veroordeelden én van zelfmoordenaars.

Hier ontmoet Aeneas de schim van Dido, die echter niet reageert op zijn verontschuldigende verklaringen, maar troost zoekt bij haar echtgenoot Sychaeus. Hier bevinden zich ook de schimmen van gesneuvelden, waaronder medestrijders van Aeneas en griekse tegenstanders. Deiphobus, die na Paris' dood Helena trouwde, vertelt hoe hij door haar werd verraden en door Menelaüs afgeslacht. Vervolgens beschrijft de Sibylle wat zich afspeelt in de Tartarus, de plaats waar de door Rhadamantus veroordeelden worden gestraft. Nadat Aeneas de gouden tak heeft bevestigd aan de tempel van Pluto, bereiken ze het Elysium, waar de zielen van de gelukzaligen zich wijden aan zang en spel in een heerlijke omgeving. Aeneas ontmoet hier Anchises. Op zijn vraag naar de groep schimmen aan de oever van de Lethe ('Vergetelheid') houdt Anchises een filosofische verhandeling over wedergeboorte, sterk gekleurd door platoonse en stoïsche theorieën: na een louteringsproces in de onderwereld drinken de zielen van de Lethe en worden opnieuw met een menselijk lichaam verenigd. Onder hen bevinden zich de toekomstige afstammelingen van Aeneas, die Rome groot zullen maken. In een heldenschouw wijst Anchises o.a. de koningen van Alba Longa aan, Romulus, Caesar, Cato, de Scipionen en - centraal - Augustus, die de gouden tijd zal herstellen.

Hij besluit dit overzicht met het formuleren van Rome's opdracht in de wereldgeschiedenis: het vestigen van een vreedzaam imperium, het sparen van de overwonnenen, het vernietigen van Rome's vijanden. In een bewogen passage wijst hij tenslotte op Marcellus, de door Augustus als erfgenaam geadopteerde zoon van Octavia en C. Marcellus, die op jeugdige leeftijd zal sterven. Door de poorten van de Slaap verlaten Aeneas en de Sibylle de onderwereld; Aeneas voegt zich bij zijn metgezellen in Gaëta en gaat scheep.

Met deze indrukwekkende adaptatie van Odysseus' bezoek aan de onderwereld in Odyssee 11 sluit V. de z.g. odysseïsche helft van zijn epos af: na veel omzwervingen heeft Aeneas Italië bereikt en is op de hoogte gebracht van zijn goddelijke missie en de toekomstige grootheid van zijn volk. De profetieën in de onderwereld hebben een einde gemaakt aan zijn twijfels over de zin van de onderneming en van individueel leed; het bereiken van het hoge einddoel is zijn vaste voornemen in de iliadische helft van het gedicht.

Boek 7. De Trojanen bereiken de monding van de Tiber en worden gastvrij ontvangen door Latinus, de koning van Latium. Een orakel heeft hem verteld dat hij zijn dochter Lavinia aan een vreemdeling moet uithuwen; in Aeneas herkent hij deze vreemdeling. Koningin Amata echter geeft de voorkeur aan de rutulische prins Turnus. Door Juno's ingrijpen maakt de Furie Allecto Amata en Turnus uitzinnig van razernij tegen Aeneas; de bevolking brengt ze gewapend aan Turnus' kant, wanneer Ascanius in onwetendheid een gewijd hert heeft gedood. De poorten van Oorlog worden door Juno geopend. Het boek eindigt met een levendige catalogus van de italische groepen, voortbouwend op de scheepscatalogus in Iiias 2, waarin in snelle opeenvolging de 12 contingenten van Turnus' bondgenoten in hun soms bizarre uitrusting worden beschreven. De gevarieerde en romantische taferelen bieden V. gelegenheid om de grootheid van het italische verleden als achtergrond voor het toekomstige imperium te evoceren. De reeks wordt afgesloten met de in purper en goud schitterende Camilla, aanvoerster van een eskadron Amazonen, bewonderd door de toestromende jeugd.

Boek 8. De riviergod Tiber verschijnt aan Aeneas in zijn slaap, verzekert hem dat de plaats van bestemming bereikt is en raadt hem aan hulp te zoeken bij de uit Arcadië afkomstige Euander, die heerst over het gebied van de latere stad Rome. Aeneas treft Euander aan tijdens een ritueel offer ter ere van Hercules, op de plaats van de latere Ara Maxima. Euander zegt hulp toe en vertelt het verhaal van Hercules' bezoek aan dit gebied en diens heroïsch gevecht met het monster Cacus. Deze aetiologische mythe legt relaties met de Hercules-cultus ten tijde van Augustus. In een fascinerende passage leidt Euander vervolgens Aeneas rond door het pastorale gebied van het latere Rome: Romulus' asylum, het Lupercal, het Argiletum, het nog beboste Capitool en het Forum waar nog runderen grazen. Op goddelijk niveau intussen wordt Vulcanus' door Venus' charmes ertoe gebracht een nieuwe wapenrusting voor Aeneas te smeden. Euander raadt Aeneas aan verdere versterking te zoeken in het etruskische Caere, waar de bevolking de tiran Mezentius heeft verjaagd, die zich bij Turnus heeft gevoegd. Euander zendt zijn zoon Pallas mee om Aeneas in de oorlog te steunen. Het boek eindigt met de beschrijving van het door Vulcanus vervaardigde schild, als tegenhanger van Achilles' schild in Ilias 18. Afgebeeld zijn hoogtepunten uit de toekomstige geschiedenis van Rome tot in Augustus' tijd, met als centrale scène de slag; bij Actium - symbool van de overwinning van het Westen op het Oosten - en Augustus' triomf in 29 vC, geëerd door alle volkeren van de wereld.

Boek 9. Tijdens Aeneas' afwezigheid vallen de Rutuliërs het trojaanse legerkamp aan en steken de schepen in brand, die door Cybele in zeenimfen worden veranderd. De nachtelijke poging van de geliefden Nisus en Euryalus om Aeneas te waarschuwen - pendant van Odysseus en Diomedes' moordpartij in Ilias 10 - eindigt fataal: hun vriendschap wordt de oorzaak van hun dood. Turnus slaagt erin het kamp binnen te dringen, maar wanneer Juno door Juppiter wordt gedwongen haar steun aan haar beschermeling op te geven, kan Turnus zich ternauwernood in veiligheid brengen.

Boek 10. Tijdens een (in het epische genre traditionele) godenvergadering spreekt Juppiter zich uit tegen de oorlog; Venus klaagt geëmotioneerd over de bedreigde positie van haar Trojanen en wordt door Juno sarcastisch van repliek gediend. Juppiter besluit de uitslag van de oorlog aan het Lot over te laten. Aeneas, aan het hoofd van het tegen Mezentius rebellerende etruskische leger, en Pallas, als aanvoerder van zijn vaders troepen, komen de belegerde Trojanen te hulp. De Rutuliërs worden teruggeslagen, maar Pallas wordt door Turnus gedood en van zijn gordel beroofd. Aeneas doodt Mezentius en diens zoon Lausus, wanneer deze zijn vader probeert te beschermen.

Boek 11. Tijdens een wapenstilstand worden de doden begraven en Pallas' lijk naar Euander teruggebracht. In een vergadering van de Italiërs pleit koning Latinus voor vrede; Drances (voor wie volgens sommigen Cicero model stond) pleit voor een beslissend duel tussen Turnus en Aeneas. Door een misverstand ontbrandt de strijd opnieuw, met als belangrijkste figuur Camilla, die na heroïsche prestaties lafhartig door Arruns wordt gedood. De Latijnen worden in wanorde teruggedreven.

Boek 12. Tijdens een nieuwe wapenstilstand accepteert Turnus Aeneas' aanbod om de strijd met een tweegevecht te beslissen, onder protest van koningin Amata. Turnus' zuster Iuturna echter hitst de Rutuliërs op de wapenstilstand te verbreken. Aeneas wordt verraderlijk gewond en door Venus genezen. Hij drijft de Latijnen op de vlucht. Amata beneemt zich het leven. Na hevige gevechten komen Turnus en Aeneas tegenover elkaar te staan. Juno legt zich neer bij Juppiters bevel de oorlog te staken, op voorwaarde dat de Italiërs hun taal en naam zullen behouden. Turnus wordt door Aeneas gewond, erkent zijn nederlaag, doet afstand van Lavinia en smeekt om zijn leven. De aanvankelijke bereidheid van Aeneas zijn leven te sparen slaat om in razernij wanneer hij Pallas' gordel om Turnus' schouders ziet.

Het einde van de Aeneis roept veel vragen op: Aeneas doodt zijn verslagen tegenstander.


Uitgaven: zie ook Lit. Algemeen, Uitgaven. - Afzonderlijke edities van de Aeneis met commentaar: J. Henry, Aeneidea or Critical, Exegetical and Aesthetical Remarks on the Aeneis 1-5 (London/Dublin/ Meissen 1873-1892 = Hildesheim 1969). A. Cartault, L'art de Virgile dans l'Enéide 1-2 (Paris 1926). J. van der Vliet/J. Mehler/R. Westendorp Boerma, P. Vergili Maronis Aeneis 1-2 (Leiden 1970-1973). R. D. Williams, The Aeneid of Virgil 1-2 (Basingstoke/London 1972v). Met franse vertaling: J. Perret, Virgile, Enéide 1-3 (1977-1980). - Commentaren op afzonderlijke boeken: Boek I: R. S. Conway Cambridge 1935); R. G. Austin (Oxford 1P71): G. Stégen (Namur 975) Boek 2: R. G. Austin (Oxford 1964); F. Speranza (Napels 1964). Boek 3: R. D. Williams (Oxford 1962). Boek 4: C. Buscaroli (Milaan 1932); A.S. Pease (Cambridge Mass. 1935 = Darmstadt 1967); E. Paratore (Rome 1947); R. G. Austin (Oxford 1955). Boek 5: L. Bruno (Milaan 1958); R.D. Williams (Oxford 1960). Boek 6: E. Norden (Leipzig 1903, ²1916, 8Stuttgart 1961); R. G. Austin (Oxford 1977). Boek 8: P.T. Eden (Leiden 1975)j K. W. Gransden (Cambridge 1976). Boeken 7 en 8: C. J. Fordyce/ J. D. Christie (Oxford 1977). Boek 12: W. S. Maguinness (London 1953, ²1962). W. F. Gosling/J. J. Smith (London 1962). Duitse vertaling: T. von Scheffer, Vergil, Aeneis verdeutscht (Leipzig 1943, ²München 1979. Nederlandse vertalingen: M. Schwarz, V. Aeneis (Haarlem 1958, 1963; proza). A. Rutgers van der Loeff, Publius V. Maro, Aeneis (Antwerpen 1965, 1973; poëzie). A. van Wilderode, V., Aeneis 1-2 (Brugge 1962-1973; poëzie). Engelse vertaling: R. Fitzgerald Virgil, The Aeneid (New York 1983).
Studies: Algemeen: D.L. Drew, The Allegory of the Aeneid (Oxford 1927). W. F. Knight, Roman Vergil (London 1944, ³Harmondsworth 1966). V. Pöschl, Die Dichtkunst Virgils, Bild und Symbol in der Aeneis (Innsbruck/Wien 1950, ²1964, ³Berlin/New York 1977; engelse vertaling: The Art of Vergil, Ann Arbor 1962). G. d'Anna, Il problema della composizione dell' Eneide (Rome 1957). B. Otis, Vergil. A study in civilized poetry (Oxford 1963). M.C. Putnam, The Poetry of the Aeneid (Cambridge Mass. 1965). J.K. Newman, Augustus and the New Poetry (Bruxelles 1967). J. K. Quinn, Virgil's Aeneid. A critical description (London 1968). E. Kraggerud, Aeneisstudien (Oslo 1968). W. A. Camps, An Introduction to Virgil's Aeneid (Oxford 1969). W. R. Johson, Darkness Visible. A study of Vergil's Aeneid (Berkeley 1976). T. Berres, Die Entstehung der Aeneis (Wiesbaden 1982). G. W. Williams, Technique and Ideas in the Aeneid (New Haven 1983).

Taal, stijl en metriek: R. Heinze, Virgils epische Technik (Leipzig/ Berlin 1903, ³1915 = Darmstadt 1957). J. Sparrow, Half-lines and Repetitions in Vergil (Oxford 1931). T. Halter. Form und Gehalt in Vergils Aeneis (MUnchen 1963). F. J. Worstbrock, Elemente einer Poetik der Aeneis (Münster 1963). R. A. Hornsby, Patterns of Action in the Aeneid. An interpretation of Vergil's epic similes (Iowa City 1970). G. Highet, The Speeches in Vergil's Aeneid (Princeton 1972). W. P. Basson, Pivotal Catalogues in the Aeneid (Amsterdam 1975): W. Moskalew, Formular Language and Poetic Design in the Aeneid (Leiden 1982).

Religie: V. Buchheit, Vergil über die Sendung Roms (Heidelberg 1963). A. Wlosok, Die Göttin Venus in Vergils Aeneis (ib. 1967). Literaire achtergronden: M. Hügi, Vergils Aeneis und die hellenistische Dichtung (Diss. Bern 1952). G. Knauer, Die Aeneis und Homer (Göttingen 1964). M. Wigodsky, Vergil and Early Latin Poetry (Wiesbaden 1972). E V. George, Aeneid VIII and the Aitia of Callimachus (Leiden 1974).

Historische en geografische achtergronden: H. Boas, Aeneas' Arrival in Latium (Diss. Amsterdam 1938). B. Tilly, Vergil's Latium (Oxford 1947). G.K. Galinsky, Aeneas, Sicily and Rome (Princeton 1969). P. van Wees, Poetische geografie in Vergilius' Aeneis (Diss. Utrecht, Tilburg 1970). G. Binder, Aeneas und Augustus. Interpretationen zum 8. Buch der Aeneis (Meisenheim am Glan 1971).


(D) Appendix Vergiliana. In de laat-antieke Vitae van Donatus en Servius wordt verteld dat de jonge V. een epigram schreef op de struikrover Ballista en verder gedichten met de volgende titels: Catalepton, Priapea, Dirae, Ciris, Culex, Copa en Aetna. De Karolingische Murbach-catalogus (9e eeuw) voegt hieraan nog het Moretum en de Elegiae in Maecenatem toe. Deze gedichten zijn ons alleen in de jongere handschriften overgeleverd. Sinds Scaliger wordt de collectie aangeduid als Appendix Vergiliana. Hoewel sommige van deze gedichten door auteurs in de 1e eeuw nC expliciet aan V. worden toegeschreven (Quintilianus, Statius, Seneca), wordt aan de authenticiteit vooral sinds 1930 in het algemeen sterk getwijfeld, op inhoudelijke en stilistische gronden. Slechts Catalepton 5 en 8 worden unaniem als echt erkend. Dat reeds vroeg gedichten aan V. werden toegeschreven en/of onder zijn naam gepubliceerd, getuigt van zijn enorme populariteit vanaf de 1e eeuw nC.

1. Catalepton (κατὰ λεπτόν, 'Arabesken') is een verzameling van 15 korte gedichten in verschillende metra, in de hss. voorafgegaan door 3 Priapea, gedichtjes waarin geschenken aan de phallische vruchtbaarheidsgod Priapus worden gewijd. In het slotepigram worden de overige gedichten van deze verzameling expliciet aan V. toegeschreven. In 5 en 8 neemt V. afscheid van de poëzie om zich onder leiding van Siro aan de filosofie te wijden en richt hij zich tot de villa van Siro, waar hij met o.a. zijn vader een toevlucht heeft gevonden tijdens de ongeregeldheden bij de landconfiscaties in Mantua (41 vC). Het 2e epigram, door Quintilianus aan V. toegeschreven, is een aanval op de redenaar T. Annius Cimber, die van moord op zijn broer werd beschuldigd; het gedicht wijst zijn geaffecteerd taalgebruik aan als het moordwapen. Het 9e epigram bezingt in 32 disticha de terugkeer van Messalla, na diens overwinning op de Aquitani in 27 vC. Nummer 13 is een amusante parodie op Catullus' carmen 4 (Phasellus ille) en beschrijft de duizelingwekkende carrière van de voormalige ezeldrijver Sabinus. Nummer 10 bevat een grove aanval op het bedenkelijke morele peil van een zekere Lucius, 14 is een charmant gebed tot Venus om hulp bij het voltooien van de Aeneis.

2. De Ciris, een epyllium van 541 hexameters, beschrijft hoe de koningsdochter Scylla uit Megara uit liefde voor Minos, de belegeraar van haar vaderstad, haar vader Nisus verried en zo de oorzaak werd van diens dood. Na de inname van de stad hangt Minos haar, vol afkeer over haar daad, aan de achtersteven van zijn schip. Ze wordt door de goden uit medelijden veranderd in een (niet te identificeren) zeevogel Ciris en permanent nagejaagd door haar in een zeeadelaar veranderde vader. Het gedicht is geschreven in de traditie van Catullus' epyllium c. 64 en van V.' Aristaeus-verhaal in Georgica.

4. De dichter besteedt uitvoerig aandacht aan psychologische aspecten - cf. de dialoog tussen Scylla en haar voedster (220-348) - en exploreert de duistere krachten van de hartstocht. Instructief is de veraeliiking met Ovidius' negatieve behandeling van de Scylla-figuur in Metamorfosen 8. De datering hangt sterk af van de wijze waarop men de frequente overeenkomsten met de werken van V. beoordeelt en de verschillen met Ovidius' versie waardeert; de schattingen variëren van vóór de Eclogae tot na -, Statius.

3. De Copa ('Waardin') bevat de verleidelijke invitatie van een syrisch waardinnetje aan een voorbijganger om binnen te komen en te genieten van de heerlijkheden die ze te bieden heeft. Tegen haar verlokkende woorden is de reiziger niet bestand. Toon en stijl maken het auteurschap van V. niet waarschijnlijk.

4. De Culex ('Mug') beschrijft in 414 hexameters hoe een schaapherder door de steek van een mug uit zijn lome siesta wordt gewekt, de mug doodt en vervolgens ontdekt dat hij door deze van de dood is gered: een slang is tot vlakbij hem gekropen. 's Nachts verschijnt de mug hem in een droom, verwijt hem zijn ondankbaarheid en verhaalt over de onderwereld. Als eerbewijs aan de culex richt de herder een grafheuvel op. Ondanks uitspraken van Lucanus en Statius is dit geleerde epyllium, met zijn gedetailleerde informatie over mythen, geschiedenis en namen van bomen en planten, waarschijnlijk niet door V. maar na Ovidius geschreven.

5. In de Dirae richt de dichter verwensingen tot het landgoedje dat hij wegens de akkerverdelingen moet verlaten en neemt afscheid van zijn geliefde Lydia.

6. De Lydia is een lofzang op de akkers en de weiden die wél de geliefde mogen aanschouwen en een klacht over haar afwezigheid. Dit elegante, sentimentele gedicht is sterk door V.' Eclogae beïnvloed.

7. Het bekoorlijke Moretum ('Stamppot') is in de oudheid niet aan V. toegeschreven, maar staat dicht bij zijn poëtische kunst. Tot in details wordt verteld hoe de eenvoudige boer Simylus in de vroege wintermorgen opstaat en samen met de negerin Scybale, zijn enige hulp, uit knoflook, kaas, azijn en olie het landelijke gerecht moretum bereidt.

8. Aan de authenticiteit van de Aetna werd reeds in de oudheid getwijfeld. Het slecht overgeleverde leerdicht verklaart het ontstaan van aardbevingen en vulkanische uitbarstingen uit de stelling dat de aarde niet compact is, maar holle ruimtes bevat. Curieus is de afkeuring van de aandacht voor het goddelijke wanneer deze gepaard gaat met verwaarlozing van het aardse; als oorzaak hiervoor wordt de menselijke hebzucht genoemd. Overeenkomsten met V.' Georgica dateren dit gedicht na 29 vC. Aangezien bij de bespreking van het gebied tussen Napels en Cumae de uitbarsting van de Vesuvius in 79 nC niet wordt vermeld, mag men deze datum als terminus ante quem beschouwen. Verdergaande precisering is hachelijk.

9. De Elegiae in Maecenatem zijn in enkele middeleeuwse hss. als één geheel op naam van V. overneleverd. Aangezien zij de dood van Maecenas (8 vC) tot onderwerp hebben, is deze toewijzing onmogelijk. De door Scaliger als twee verschillende elegieën onderscheiden gedichten zijn a. een epicedium, of liever een laudatio ad sepulcrum, een lofprijzing op de dode gericht tot de omstanders bij de brandstapel; b. een (fictieve?) weergave van de afscheidswoorden van de stervende Maecenas gericht tot Augustus.

De Elegiae zijn ofwel kort na Maecenas' dood geschreven, ofwel als reactie op Seneca's invectieven (Epistula 114) tegen Maecenas' karakter en literaire stijl.


Uitgaven van de Appendix: W. Morel, Poetae Latini Minores 1. Appendix Vergiliana (Leipzig 1930). A. Salvatore, Appendix Vergiliana 1-2 (Turijn 1957 1960). W. Clausen/F. R. Goodyear/E. J. Kenney/J. A: Richmond, Appendix Vergiliana (Oxford 1966). Mer italiaanse vertaling: G. Giomini, Appendix Vergiliana (Florence 1953, 1962).

Afzonderlijke uitgaven met commentaar en/of vertaling: Aetna: W. Richter, [Vergil], Aetna (Berlin 1963). F. R. Goodyear, Incerti auctoris Aetna (Cambridge 1965). - Catalepton: R. Westendorp Boerma, P. Vergili Marona libellus qui inscribitur Catalepton I-Z (Assen 1949-1963). - Ciris: H. Hielkema, Ciris quod carmen traditur Vergilii (Diss. Utrecht 1941). H. Haury, La Ciris, poème attribué à Virgile (Bordeaux 1957). D. Knecht. Ciris, authenticité, histoire du texte, édition et commentaire critiques (Brugge 1970). R. O. Lyne, Ciris, a Poem Attributed to Vergil (Cambridge 1978). - Culex: C. PIésent, Le Culex, poème pseudo-virgilien. Edition critique et explicative (Paris 1910). M. Schmidt. Vergil, Die Mücke (Berlin 1959). - Dirae: C. van der Graaf, The Dirae with Translation (Diss. Leiden 1945). - Elegiae in Maecenatem: T. Copray, Consolatio ad Liviam et Elegiae in Maecenatem (Diss. Nijmegen 1940). H. Schoonhoven, Elegiae in Maecenatem. Prolegomena, Text and Commentary (Diss. Groningen 1980). - Moretum: F. L. Douglas, A Study of thé Moretum (New York 1929; met tekst en engelse vertaling). Studie: A. Rostagni, Virgilio minore (Turijn 1933,'1961).


(III) Tekstoverlevering. De enorme populariteit van V. blijkt uit de grote hoeveelheid bewaarde hss. van zijn werk; deze stemmen onderling vrijwel overeen. Van de acht bewaarde antieke codices uit de 4e en 5e eeuw, geschreven in de capitalis quadrata en rustica, zijn het meest beroemd de codex Vaticanus Palatinus (P) uit de 4e eeuw, de codex Romanus (R) uit de 5e eeuw, met schitterende illustraties, en de codex Mediceus (M), met correcties van Turcius Rufus Apronianus Asterius, consul in 494. Deze codices staan zeer dicht bij het 'auteursexemplaar', waarvan volgens Gellius nog in zijn tijd copieën bestonden die uit V.' huis afkomstig waren.

(IV) Voortleven. Van het onmiddellijke succes van V.' werken getuigen de uitspraken en de literaire producten van zijn tijdgenoten. Horatius prijst de Eclogae en de Aeneis, Propertius begroet de Aeneis als een werk groter dan de Ilias. Livius stijl is sterk vergiliaans gekleurd. Ovidius' poëzie is doordrenkt van de stijl en inhoud van V.' werk, waarvan Dido's brief aan Aeneas (Heroides 7) overduidelijk blijk geeft. Sinds het opnemen van V. in de canon van schoolauteurs door Q. Caecilius Epirota, een vrijgelatene van Cicero's vriend Atticus, is zijn werk bepalend voor de latijnse taal en de literaire productie. Calpurnius Siculus' navolging van de Eclogae en Columella's poëtische aanvulling op de Georgica tonen hoezeer V. ten tijde van Nero de literaire normen beheerste, zoals de vele grafitti in Pompeii en Trimalchio's uitlatingen in Petronius de wijdverbreide bekendheid met zijn werk illustreren. De aanvankelijke kritiek op zijn stijl en ontleningen werd al vroeg weerlegd door Asconius Pedianus' Contra obtrectatores Vergilii. Quintilianus beschouwde V. als de belangrijkste romeinse auteur in het onderwijs, op één lijn met Homerus. Van beslissende invloed was de epische traditie die V. vestigde op de werken van Lucanus, Statius, Silius Italicus en Valerius Flaccus. In de 2e eeuw werd vooral aandacht besteed aan de retorische aspecten van zijn poëzie, aan zijn kennis op mythologisch en religieus gebied en een allegoriserend interpreteren van de gedichten. In deze tijd werd de basis gelegd voor de grote commentaren van Aelius Donatus en Servius (4e eeuw). Voor de 4e en 5e eeuw fungeert V. steeds meer als compendium van wetenschappelijke kennis op allerlei gebied. Het materiaal in Nonius' werken en de literaire discussies in Macrobius' Saturnalia geven een goede indruk van de betekenis van V. voor deze tijd. Grote vertrouwdheid met V. blijkt ook uit de talloze centones, waarvan de scabreuze Cento nuptialis van Ausonius het bekendst is, een verre voorloper van de 17e-eeuwse travestieën van Scarron en Blumauer.

Al vroeg werd V. door het christendom geadopteerd. Op het concilie van Nicaea (325 nC) interpreteerde keizer Constantijn de 4e ecloga als profetie van de Messias. Zijn faam als ziener groeide sinds Hadrianus voor het eerst de Sortes Vergilianae raadpleegde, een steeds belangriiker middel om de toekomst te voorspellen. Vanaf de 5e eeuw groeide V.' reputatie als wijze en als magiër; in de 12e eeuw werd hij in Napels zelfs vereerd als 'il gran matematico'. De ononderbroken bewondering voor V. in de middeleeuwen blijkt uit de vele hss. uit de 8e en 9e eeuw.

Als 'dichter' werd V. herontdekt door Dante, die hem als zijn leermeester erkent (Inferno 85-87). Van groot belang voor de latere verbreiding van V.' werk waren de vertalinnen door Octavien de Saint-Gelais (1500), Gawain Douglas (1557) en Annibale Caro (1581). De appreciatie van V., die sinds de renaissance vrij constant bleef. bereikte een dieptepunt tijdens de romantiek. In de voorkeur voor de veronderstelde spontane originaliteit van de griekse cultuur moest vooral de Aeneis het ontgelden. Pas in de loop van de 20e eeuw is opnieuw begrip ontstaan voor het bewust aemulerende karakter van deze poëzie, voor de tragische gevoelswereld in met name de Aeneis en voor het absolute meesterschap over de taal.


Lit. Algemeen.

Recente bibliografische overzichten: V. Pöschl, Forschungsbericht Vergil (Anzeiger für die Klassische Altertumswissenschaft 3, 1950, 69-80; 6, 1953, 1-14; 12, 1959, 193-218; 21, 1968, 193-220; 22, 1969, 1-38). A. Wlosok, Vergil in der neueren Forschung (Gymnasium 80, 1973, 129-151). W. Donlan ed., The Classical World Bibliography of Vergil (1940-1973) (New York 1978). W. Suerbaum, Hundert Jahre Vergil-Forschung, Eine systematische Arbeitsbiblioglaphie mit besonderer Berücksichtigung der Aeneis (in H. Temporini/W. Haase edd., Aufstieg, und Niedergang der römischen Welt II 71, 1, Berlin/New York 1980, 3-358). Id., Spezialbiblographie zu Vergils Georgica (ib. 395-499). J. Richmond, Recent Work on the 'Appendix Vergiliana' (1950-1975) (ib. II, 31, 2, 1981, 1112-1154). W.W. Briggs, A Bibliography of Virgil's 'Eclogues' (1927-1977) (ib. 1165)

Uitgaven van de volledige werken (zonder de Appendix): Editio princeps 1469 (Rome en Straatsburg). Beste moderne edities: W. Janell, P. Vergilii Maronis Opera (Leipzig 1920, 1930). R. Sabbadini, P. Vergili Maronis Opera 1-2 (Rome 1930, ²1937). R. Sabbadini/M. Castiglioni, P. Vergili Maronis Opera (Turijn 1945). M. Geymonat, P. Vergili Maronis Opera (Turijn 1973). R.A. Mynors, P. Vergili Maronis Opera (Oxford 1969 ²1972). - Met engelse vertaling: H. R. Fairclough, Virgil 1-2 (Loeb Class. Libr., London 1916, ²1924). Met franse vertaling: H. Goelzer/R. Durand/A. Bellesort, Virgile 1-3 (Paris 1925-1936). Met duitse vertaling: J. Götte/M. Götten/K. Bayer, Vergil, Aeneis (Zürich/München 1958, 1983). Id., Vergil, Landleben (ib. 1949, 1981). Met italiaanse vertaling: C. Carena, Opere di P. Vergilio Marone (Turijn 1971). - Volledige uitgaven met commentaar: J. Conington/H. Nettleship/F. Haverfield, The Works of Virgil with a Commentary 1-3 (London 1883-1898 = Hildesheim 1963). T. E. Page, Virgil, Bucolica et Georgica, The Aeneid 1-3 (ib. 1894-1900 = 1960). T. Ladewig/C. Schaper/P. Deuticke/P. Jahn, Vergils Gedichte erklärt 1-3 (Berlin 1904-1915 = 1973). F. Plessis/P. Lejay, Oeuvres de Virgile (Paris 1919). Nederlandse vertalingen: J. van den Vondel, Publius V. Maroos Wercken (Amsterdam 1646; proza). Id., Maroos Wercken in Nederduitsch dicht vertaelt (Amsterdam 1660; poëzie). A. van Wilderode, Het werk van Publius V. Maro. Bucolica, Georgica, Aeneis (Brugge/Nijmegen 1978).

Antieke biografieën en commentaren: C. Hardie, Vitae Vergilianae antiguae (Oxford 1954). Zie ook Donatus, Servius, Probus.

Lexica, idices, concordanties: G. Koch, Vollständiges Wörterbuch zu den Gedichten des P. V. Maro (Hannover 1875 = Hildesheim 1972). H. Merguet/H. Frisch, Lexicon zu V. (Leipzig 1912 = Hildesheim 1960). - M.N. Wetmore, Index verborum Vergilianus (New Haven/London/Oxford 1911, 21-30 = Hildesheim/Darmstadt 1961). W. Ott, Rückläufiger Wortindex zu Vergil (Tübingen 1974). - H. H. Warwick, A Vergil Concordance (Minneapolis 1975).

Studies. Algemeen: K. Büchner (PRE 8A, 1021-1486; ook afzonderlijk verschenen Stuttgart 1955). W. H. Gross (ib. 1493-1506 s.v. Vergiliusporträts).l. Fabbrini (EAA 7, 1184v). GRL 2, 31-113. - C.-A. Sainte-Beuve, Étude sur Virgile (Paris 1857). W. Sellar, The Roman Poets of the Augustan Age 1. Virgil (Oxford 1877, 1897). A. Bellesort, Virgile, son oeuvre et son temps (Paris 1921). E. Paratore, Virgilio (Rome 1945, Florence 1954). A.-M. Guillemin, Virgile, poète, artiste et penseur (Paris 1951). J. Perret, Virgile, L'homme et l'oeuvre (Paris 1952, ²1965). F. Klingner, Virgil, Bucolica, Georgica, Aeneis (Zürich/Stuttgart 1967)

Taal, stijl en metriek: S. Ramondt, Illustratieve woordschikking bij V. (Diss. Leiden 1932). L.P. Wilkinson, Golden Latin Artistry (Cambridge 1963). G. E. Duckworth, Vergil and Classical Hexameter Poetry (Ann Arbor 1969). H. Raabe, Plurima mortis imago. Vergleichende Interpretationen zur Bildersprache Vergils (München 1974). R. Rieks, Die Gleichnisse Vergils (in H. Temponni/W. Haase edd., Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II, 31, 2. Berlin/New York 1981, 1011-1110).

Religie: C. Bailey, Religion in Virgil (Oxford 1935). P. Boyancé, La religion de Virgile (Paris 1963). W. Kühn, Götterszenen bei Vergil (Heidelberg 1971). W. Pötscher, Vergil und die nöttlichen Mächte. Aspekte seiner Weltanschauung (Hildesheim 1967).

Historische achtergronden: H. D. Meyer, Die Aussenpolitik des Augustus und die Augusteische Dichtung (Köln 1961). R. Rieks, Vergils Dichtung als Zeugnis und Deutung der römischen Geschichte (in H. Temporini/W. Haase edd., Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt 11, 31, 2, Berlin/New York 1981, 728-868).

Voortleven: G. Funaioli, Esegesi Virgiliana antica (Milaan 1930). T. Haecker, Vergil, Vater des Abendlandes (Leipzig 1931, 7München 1952). D. Comparetti/G. Pasquali, Virgilio nel Medio Evo (Florence 1941 H. Hagendahl, Latin Fathers and the Classics (Göteborg 1958 R. Hoogma, Der Einfluss Vergils auf die Carmina Latina Epigraphica (Diss. Nijmegen Amsterdam 1959). H. Knittel, Vergil bei Dante (Konstanz 1971). H. Juhnke, Homerisches in Römischer Epik Flavischer Zeit (München 1972). W. Suerbaum, Vergils Aeneis. Beiträge zu ihrer Rezeption in Gegenwart und Gexhichte (Bamberg 1981). R. D. Williams/T. Pattie, Virgil. His poetry through the ages (London 1982).

Verzamelbundels: H. Oppermann ed., Wege zu Vergil. Drei Jahrzehnte Begegnungen in Dichtung und Wissenschaft (Wege der Forschung 19, Darmstadt 1963, ²1976). D. R. Dudley ed. Virgil (London 1969). H. Bardon/R. Verdière edd., Vergiliana. Recherches sur Virgile (Leiden 1971). R. Chevalier ed., Présence de Virgile. Actes du Colloque des 9, 11 et 12 décembre 1976 (Paris 1978). R. van der Paardt e.a, 2000 j aar V. ('s-Gravenhage 1982). - Themanummers: Arethusa 14, 198 nr. 1. Hermeneus 54, 1982, nr. 4. Lampas 15, 1982, nrs. 1 en 2. Wü 1983, Jahrbuch für die Altertumswissenschaft 8, 1982. Gymnasiumnrs. 1 en 2. [Smolenaars]



Lijst van Auteurs