Fatum

Fatum (van fari,'spreken, verkondigen, voorspellen') betekende oorspronkelijk 'gesproken uiting', spoedig toegespitst tot 'gesproken vastlegging en/of aankondiging van wat gebeuren zal (godsspraak, orakel) en gebeuren moet (goddelijke wil)'; vandaar enerzijds 'eigen lotsbestemming' evoluerend naar 'noodlot', 'stervenslot' en 'sterfgeval', zelfs 'ondergang', 'schim', 'lijk' e.d., anderzijds 'actieve vaak booswillige macht(en) van het lot', d.i. het gepersonifieerde Lot van goddelijke essentie; samengevat: een complexe realiteit, die godsdiensthistorisch uiteindelijk het eenvoudigst uitmondde in 'het bij de geboorte door en in de sterren bepaalde lot' (εἱμαρμένη) van het stoïcisme gecombineerd met astraal fatalisme). Het verpersoonlijkte F. kwam voor als Fatus/i en Fata/ae in het romeinse en vooral gallo-romeinse volksgeloof, terwijl we in de Fata/orum, inzonderheid in de tria Fata, de geromaniseerde verschijningsvorm aantreffen van de griekse τρεῖς Mo3irai, met wie reeds vroeger de romeinse tres Parcae gelijkgesteld waren. Nog vóór tria Fata echter ontstond bij de Romeinen de voorstelling der Fata Scribunda (vermeld bij Tertullianus, De anima 39,2), al is zij waarschijnlijk niet ouder dan Varro. Deze Fata Scribunda ontwikkelden zich van 'omina door de Parcae voor elke boreling te schrijven' op de dies lustricus, de laatste dag van de eerste levensweek, tot Fata Scribentia, 'godinnen die ter gelegenheid van de naamgeving het levenslot schriftelijk vastleggen'. Dit is kennelijk een romeins gegeven, dat mogelijk door etruskische voorstellingen werd gevoed.

Afgezien van de vermelde vormen der goddelijke verpersoonlijking, die overigens ternauwernood tot enige cultus heeft geleid, bekleedde het F., sedert en dank zij Vergilius, een belangrijke plaats in de imperiale theologie. Het beoogde en bevorderde immers het imperium Romanum als eeuwige verwerkelijking van de opperste goddelijke wilsbeschikking betreffende de menselijke wereld. Hieruit vloeide voort dat de romeins-keizerlijke geschiedenis de belichaming werd geacht van een welhaast natuurwettelijke wereldhistorische ontwikkeling. Deze opvatting lijkt enigszins de politieke romanisering van de stoïsche leer der εἱμαρμένη, volgens welke een soort kettingreactie van goddelijke oorsprong aan de wereldgeschiedenis een onstuitbare en onomkeerbare loop bezorgde. Anderzijds werd de wereldevolutie opgevat als goddelijk vastgelegd door en natuurwetenschappelijk naspeurbaar in het onveranderlijk wetmatige verloop der sterren. Dat ca. 150 vC het fatalisme van de stoa verbonden werd met het astrologische fatalisme lag dan ook voor de hand.

Bezwaren van ethische aard in verband met de vrije wil, de laatromeinse en byzantijnse opvatting over taak en bestemming van het rijk en de christelijke vraag naar de historische rol van de voorzienigheid zijn slechts een paar aspecten van de discussies die in de diverse levensbeschouwingen vanuit dit voorstellingencomplex zijn gerezen. Als bijzondere en eenvoudiger toepassing laat de individuele verhouding van de niet-christelijke romeinse volksmens tot het F. zich geredelijk aflezen uit de grafinscripties. Al hebben de traditionele goden nog een niet te onderschatten betekenis gehad tijdens het levensverloop, belangrijber is dat met betrekking tot de menselijke lotsbestemming en het levenseinde het F., persoonlijk opgevat of uitgedrukt in de Parcae, het enige algemeen aanvaarde voorwerp bleef van het volksgeloof in een alovertreffende goddelijke macht.


Lit. R. Peter (Roscher 1, 1446-1453). W. F. Otto (PRE 6, 2047-2051). H. O. Schröder (RAC 7, 524-636). - W. Ch. Greene, Moira, Fate, Good and Evil in Greek Thought (Cambridge Mass. 1948). L. L. Tels-De Jong, Sur quelques divinités romaines de la naissance et de la prophétie² (Amsterdam 1960). G. Pfligersdorffer, Fatum und Fortuna (Literaturwiss. Jahrb., N.F. 2, 1961, 1-30). B. C. Dietrich, Death, Fate and the Gods (London 1965). H. Ringgren, Fatalistic Beliefs in Religion, Folklore and Literature (Stockholm 1967). [Sanders]


Register