
De naam Caesar was aanvankelijk cognomen, in gebruik in de romeinse gens Iulia Iulius; onder deze naam staat de beroemde dictator Gaius Iulius Caesar bekend. Door diens geadopteerde zoon en erfgenaam, Gaius Octavius, werd de naam Caesar als nomen gentile gevoerd, ook na zijn verheffing tot het principaat. Augustus' opvolgers Tiberius en Caligula volgden dit voorbeeld. Keizer Claudius en zijn opvolgers behielden de naam Caesar als bestanddeel van hun titulatuur, waardoor hij praktisch het equivnlent van onze titel 'keizer' werd. Sinds Hadrianus was Caesar bovendien de titel van de aangewezen troonopvolger, sinds Diocletianus ook van de beide onderkeizers. In de grote middeleeuwse rijken van West- en Oost-Europa droegen de opperste heersers de naam Caesar. die als leenwoord in de germaanse (nederlands: keizer, duits: Kaiser enz.) en slavische talen (russisch: tsar enz.) is overgenomen.
Gaius Iulius Caesar (13 juli 100 -15 maart 44) behoorde tot een oude patricische familie, die echter nooit op de voorgrond getreden was. Zijn vader Gaius Iulius Caesar was praetor in 92 v.C., maar bracht het niet tot het consulaat en stierf reeds in 85. Caesars moeder Aurelia behoorde eveneens tot de nobilitas; zij was een nicht van de drie broers Aurelius Cotta, die alle drie consul zijn geweest en van wie de oudste, Gaius, tot de beroemdste redenaars van zijn tijd behoorde.
(I) Jeugd en opvoeding. Aurelia gaf haar zoon een voortreffelijke opvoeding; Tacitus (Dialogus 28) stelt haar als ideale moeder naast de moeder der Gracchen. De politieke situatie tijdens Caesars jeugd en zijn familierelaties met de volkspartij waren van beslissende betekenis voor zijn carrière. Zijn tante Iulia was de echtgenote van Gaius Marius. In 84, op zestienjarige leeftijd, werd hij als neef van Iulia flamen Dialis, waardoor hij verplicht was een patriciërsdochter tot vrouw te nemen. Zo ontving hij de toga virilis en huwde Cornelia, de dochter van Marius' schoonzoon Cornelius Cinna. Zij schonk Caesar zijn enig kind, zijn dochter Iulia, en bleef zijn echtgenote tot aan haar dood in 69.
Na zijn definitieve overwinning in 82 eiste Sulla echter dat Caesar zou scheiden van Marius' kleindochter. Caesar weigerde hardnekkig, werd vogelvrij verklaard en was maandenlang op de vlucht. Op voorspraak van invloedrijke verwanten kreeg hij tenslotte pardon, waarbij Sulla de betekenisvolle woorden sprak:'Pas op voor die jongen: in hem steken vele Mariussen'. Voor alle zekerheid verliet Caesar Rome om eerst na Sulla's dood in 78 terug te keren.
Als stafofficier van Marcus Minucius Thermus deed hij zijn eerste oorlogservaringen op bij het beleg van Mytilene, dat nog steeds vasthield aan Mithridates; bij de inneming van de stad (80) verwierf hij de corona civica. In deze tijd viel ook zijn zending naar koning Nicomedes van Bithynië om daar oorlogsschepen te gaan halen; zijn overdreven vriendschappelijke verhouding tot de koning zou nog jaren lang het onderwerp van scabreuze praatjes vormen. In Rome teruggekeerd, voerde Caesar, om de aandacht op zich te vestigen, twee opzienbarende processen de repetundis tegen de optimaten Gnaeus Cornelius Dolabella en Gaius Antonius, maar hield zich nog buiten de directe politiek.
In 75 ging Caesar terug naar het Oosten om zijn retorische vorming te voltooien bij Apollonius Molon op Rhodus. Onderweg viel hij in handen van Cilicische zeerovers. Na betaling van een losgeld vrijgelaten, wist hij de rovers gevangen te nemen, en toen de proconsul van Asia hen als krijgsgevangenen wilde verkopen, sloeg Caesar hen eigenmachtig aan het kruis. Van eenzelfde zelfstandigheid gaf hij kort daarop blijk door bij de derde inval van Mithridates (74). Zijn studie op Rhodus te onderbreken, over te steken naar Azië, de plaatselijke militie te organiseren en de vijand terug te slaan.
(II). 69-59. In 69 was Caesar
quaestor, waardoor hij ook
lid van de senaat werd: het begin van zijn directe
politieke optreden, waarbij hij steeds aan de zijde
der volkspartij heeft gestaan, niet uit beginsel, maar
uit opportunisme. Caesar zag duidelijk in dat het romeinse
wereldrijk niet meer te besturen was door de
gemeenteraad van één stad en dat de corruptie van
de heersende oligarchie ongeneeslijk was. Bij de
keuze van zijn middelen kende hij geen scrupules en
wist zowel voor- als tegenstanders te gebruiken voor
zijn doeleinden. In het bijzonder was hij overtuigd
van de macht van het geld voor het verwerven van
populariteit. Een groot deel van zijn leven ging hij
gebukt onder een enorme schuldenlast; dikwijls
leende hij zelfs geld van potentiële tegenstanders
(bv. Pompeius) om dezen te binden.
Pompeius
In 65 gaf Caesar als aedilis curulis ondanks zijn schulden ongehoord kostbare gladiatorenspelen, en liet op het forum de trofeeën van Marius weer oprichten. Door massale omkoping werd hij in 63 tot pontifex maximus gekozen, welke hoogste sacrale functie tot dan toe slechts door oud-consuls bekleed was. De rol van Caesar in de samenzwering van Catilina in dit jaar is vrij dubieus; in elk geval stemde hij in de senaat, zij het vergeefs, tegen de terechtstelling van Lentulus c.s.
In 62 bekleedde Caesar de praetuur en werd verwikkeld in het schandaal van Clodius bij gelegenheid van het feest der Bona Dea. Naar aanleiding daarvan liet hij zich scheiden van Pompeia: 'Op Caesars vrouw mag zelfs geen verdenking rusten', zo zei hij. In feite wilde hij als politicus niet voor de bedrogen echtgenoot doorgaan en had hij de diensten van Clodius nodig. Zijn schuldenlast was intussen opgelopen tot de som van 25 miljoen denarii. Een lening van Crassus en speciaal het stadhouderschap van de provincie Hispania, dat hem na afloop van zijn ambtstijd werd toegewezen. hielpen hem over de moeilijkheden heen. In Spanje viel zijn eerste zelfstandige optreden als veldheer en bestuurder; hier toonde hij zich de geboren organisator op elk terrein, evenals later in Gallië. De senaat verleende hem zelfs de eer van een triomftocht waarvan hij echter afzag om zich persoonlijk candidaat te kunnen stellen voor het consulaat.
Na een uiterst felle verkiezingscampagne, waarin zelfs de zo principiële Cato geld bijdroeg aan het steunfonds voor de senaatscandidaat, werd Caesar samen met Marcus Calpurnius Bibulus als consul voor het jaar 59 aangewezen. Bibulus, een ras-optimaat, was reeds Caesars collega geweest als aediel en praetor en was sindsdien zijn verbeten persoonlijke vijand. De politieke situatie was destijds zeer verward. Pompeius was in 66 door de volkspartij belast met de oorlog tegen de zeerovers en Mithridates. Met roem overladen was hij teruggekeerd en stelde nu twee eisen: de verzorging van zijn veteranen en de goedkeuring van zijn maatregelen in het Oosten. Bevreesd voor de versterking van Pompeius' macht, verzetten de optimaten zich onder leiding van Lucullus, Cato en Crassus tegen deze redelijke eisen en wisten die te saboteren. Caesar zag in dat de macht van zijn tegenstanders nog verrassend groot was en trok hieruit de consequenties. Hij wist de oude vete tussen Pompeius en de schatrijke Crassus bij te leggen en ging met beiden een belangengemeenschap aan (60), waarbij zij besloten niets te ondernemen wat één van hen mishaagde. Dit verbond kreeg later de naam triumviraat; het was een particuliere afspraak waarbij Pompeius en Crassus slechts wensen op korte termijn hadden en alleen Caesar een vastomlijnd programma voor de toekomst.
Ondanks de oppositie van Bibulus, die zich tenslotte geheel terugtrok uit zijn ambtsbezigheden en tegen Caesar in pamfletten te keer ging, wist Caesar zijn akkerwet (Lex Iulia), krachtens welke behalve Pompeius' veteranen ook 20.000 arme burgers land ontvingen, alsmede de goedkeuring van Pompeius' maatregelen in het Oosten door te zetten. Bovendien gaf hij Pompeius zijn eigen dochter Julia tot vrouw; ondanks het leeftijdsverschil van 30 jaar was dit een gelukkige verbintenis. Zelf huwde Caesar in 59 Calpurnia, dochter van Lucius Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 58.
Nu zette hij de beslissende stap. Zijn trouwe aanhanger Publius Vatinius liet in de volksvergadering door de Lex Vatinia aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum met drie legioenen voor vijf jaar als ambtsgebied toewijzen. De senaat voegde daaraan Gallia Transalpina met één legioen voor dezelfde tijd aan toe. Hiermede schiep Caesar zich de basis voor zijn macht tegenover de senaat en een tegenwicht tegen Pompeius. Voor rugdekking in de hoofdstad zorgden de aanwezigheid aldaar van de geduchte Clodius en de verwijdering van zijn twee voornaamste tegenstanders Cicero en Cato. Daar Cicero ieder verzoek om medewerking had afgewezen, werd hij prijsgegeven aan zijn doodsvijand Clodius: deze beschuldigde Cicero nu, vijf jaar na datum, van het wederrechtelijk terechtstellen der Catilinariërs en zond hem in ballingschap. Cato ontving - eveneens op aandrijven van Clodius - de hatelijke opdracht om tegen alle recht en wet in Cyprus te gaan annexeren, waarvan de onafhankelijkheid nog kort tevoren door de senaat was gewaarborgd. Nog vóór zijn vertrek naar zijn ambtsgebied leende Caesar grote bedragen van Atticus en Pompeius om een deel van zijn schulden te delgen.
(III) 58-51, de Gallische oorlog. De aanleiding hiertoe vormde een inval der Helvetiërs, die Caesar versloeg bij Bibracte. Aan de Sueben, die onder hun koning Ariovistus vanuit Germanië in Gallië waren binnengedrongen, riep hij een halt toe en voor de toekomst legde hij de Rijn vast als grensrivier. Wel maakte hij sindsdien gebruik van germaanse ruiters, die menigmaal voor hem van beslissende betekenis waren. Handig profiterend van de verdeeldheid der Galliërs, wist hij in het zuiden de Haedui, in het Noorden de Remi tot zijn bondgenoten te maken, waardoor hij zich van een veilige militaire basis en van de proviandering verzekerde.
In 57 bracht hij door eigenmachtige lichtingen in Gallia Cisalpina zijn leger op dubbele sterkte en begon zijn aanval op de Belgae: in zware gevechten, vooral tegen de dappere Nerviërs (slag aan de Sambre) versloeg hij dezen, terwijl zijn legaat Publius Licinius Crassus, zoon van zijn collega in het triumviraat, Normandië en Bretagne onderwierp. In de herfst van 57 beschouwde Caesar de oorlog reeds als beëindigd en de senaat kondigde een dankfeest van maar liefst 15 dagen af. Intussen was de situatie in Rome hoogst verward geworden. Cicero was teruggeroepen uit zijn ballingschap, Clodius ging nu zijn eigen weg en verbond zich zelfs met de senaat, de tegenstellingen tussen Pompeius en Crassus spitsten zich weer toe.
Volkomen onverwacht voor iedereen belegde Caesar
toen een conferentie te Luca (april 56), waarbij
ditmaal de samenwerking der triumviri nauwkeurig
werd omschreven: Pompeius en Crassus zouden
in 55 het consulaat bekleden. waarna Pompeius proconsul
in Spanje, Crassus in Syrië zou worden, ieder
voor vijf jaar; Caesars imperium werd eveneens
met vijf jaar verlengd.
Deze versterking van zijn positie kwam Caesar zeer van
pas, want de berichten uit Gallië waren zeer verontrustend.
Crassus jr. moest een opstand in Aquitanië onderdrukken:
zwaarder was de strijd in Bretagne, waar het
zeevolk der Veneti de kern van
het verzet vormde: eerst de komst van de vloot onder
Decimus Brutus bracht de
beslissing. In 55 vernietigde
Caesar de uit Germanië binnengedrongen
Tencteri
en Usipetes
en trok via een brug bij Andernach
over de Rijn; de bedoeling hiervan was
geen verovering, maar een demonstratie van Rome's
macht. Hetzelfde geldt voor zijn eerste tocht naar
Britannië in dit jaar. De indruk in Rome en daarmee de
propaganda voor Caesar waren echter geweldig.
In 54 viel een tweede tocht naar Britannië en vlak
daarop de opstand in het gebied der Belgae, waarbij de
Eburonen onder
Ambiorix 15 romeinse
cohorten
vernietigden en Caesar zijn ingesloten legaat
Quintus Cicero moest ontzetten. Zijn legaat
Labienus
liet Caesar oprukken tegen de
Treveri (Indutiomarus),
zelf trok hij voor de tweede maal over de
Rijn (bij Neuwied) om de Germanen af te schrikken van
interventie; daarna liet hij het volle geweld van zijn
wraak neerkomen op de Eburonen, die
hij praktisch uitroeide zonder echter Ambiorix in
handen te krijgen (53).
In Rome was er intussen een beslissende wending in de situatie gekomen. In 54 was Pompeius' echtgenote, Caesars dochter Julia, gestorven, in 53 sneuvelde Crassus in de strijd tegen de Parthen. Pompeius zocht steeds meer aansluiting bij de optimaten en drukte zelfs een wet door die bepaalde dat ieder zich persoonlijk voor een ambt in Rome candidaat moest stellen, zonder hierbij een clausule op te nemen, die Caesars recht in dezen, dat door plebisciet was vastgelegd, garandeerde. Het bericht van deze moeilijkheden deed in Gallië de laatste grote opstand oplaaien (52), waarin de verontwaardiging over de gewelddadige onderwerping zich ontlaadde. De leider Vercingetorix had heel Gallië aan zijn zijde. Na een vergeefs beleg van Gergovia gelukte het Caesar zich te verenigen met Labienus, die in het Noorden ingesloten was. Bij Dijon behaalde hij een overwinning dank zij het ingrijpen van zijn germaanse ruiters en sloot Vercingetorix, die zich na deze onverwachte nederlaag had teruggetrokken op Alesia, in met een 17 km lange gordel van verschansingen. Na 30 dagen viel de stad ondanks hardnekkige pogingen tot ontzet in Caesars handen. In 50 was Gallië voorgoed een romeinse provincie. Men schat dat in de strijd een derde van de bevolking is omgekomen, en nog een derde krijgsgevangen is gemaakt of als slaaf verkocht. De buit was zo groot dat het goud 25% in waarde daalde.
(IV) 50-46. Met het verstrijken van zijn ambtsperiode
als proconsul naderde voor Caesar de beslissing over
zijn politieke toekomst. Hij was voorbereid op een
ingrijpende botsing; ondanks de vrede in Gallië ging
hij door met het lichten van troepen en verdubbelde
de soldij. Zijn tiende legioen verlegde hij naar
Noord-Italië. Toen na lange onderhandelingen over
en weer de senaat op 7 januari 49 besloot dat Caesar zijn
leger moest afdanken en zich persoonlijk candidaat
moest stellen voor het begeerde
consulaat, nam Caesar
het initiatief en rukte over de Rubico het senaatsgebied
binnen (10 januari 49: alea iacta sit,'de teerling zij geworpen').
De senaatsregering beschikte praktisch over geen
troepen. De beide legioenen die Pompeius indertijd aan
Caesar geleend had, maar later zogenaamd voor
de oorlog tegen de Parthen had teruggevorderd,
liepen terstond naar Caesar over. Zodoende was deze
tien dagen later meester van Rome. Pompeius gelastte de
terugtocht uit Italië en beval iedere senator hem te
volgen; met meesterlijke strategie wist
hij, onderweg aldoor troepen lichtend, Brundisium
te bereiken en zich zonder verliezen in te schepen
naar Epirus. Caesar volgde hem niet, maar zorgde voor
rugdekking door in Spanje de zeven legioenen van
Pompeius onder Afranius en Petreius uit te schakelen
in de slag bij Ilerda (zomer 49). Massilia, dat
de zijde van Pompeius had gekozen, viel na een beleg van
zes maanden in handen van Decimus Brutus.
Minder geluk had Caesar in Africa, waar zijn legaat
Curio door koning Juba van Numidië werd verslagen.
Intussen verzamelde Pompeius in alle rust een enorme
legermacht uit het gehele Oosten. Zijn vloot beheerste
de zee, hij had zijn winterkwartier in Dyrrachium en
wilde in het voorjaar het offensief tegen
Italië beginnen. Caesar echter trok gewoontegetrouw het
initiatief aan zich, waagde ondanks gebrek aan schepen
de overtocht en wist 20.000 man in Epirus aan
land te zetten. Gehinderd door stormen en de zware
blokkade van Pompeius' admiraal Bibulus, die zich
geen tweede maal wilde laten verrassen, moest hij
echter nog meer dan twee maanden wachten voordat M.
Antonius de rest van zijn armee overzette.
Bij Dyrrachium
kwam het tot een langdurige loopgravenstrijd,
waarbij Pompeius in de meerderheid
bleef. Daar zijn tegenstander met de ruiterij het
terrein beheerste en ter zee iedere toevoer afsneed,
kreeg Caesar gebrek aan levensmiddelen. Dank zij de
uitstekende conditie van zijn veteranen gelukte het
hem echter zich los te maken van de vijand en naar
Thessalië te trekken, waar hij bij
Pharsalus een
schitterende overvinning behaalde (9 augustus 48).
Pompeius vluchtte en vond in Egypte door sluipmoord
zijn einde.
Cleopatra
Caesar volgde hem naar Egypte, bezette Alexandrië
en mengde zich daar ten gunste
van Cleopatra
in een troonstrijd; hij raakte verwikkeld
in felle gevechten met de aanhangers van
Ptolemaeus XIV,
Cleopatra's broer, waarbij ook de
beroemde bibliotheek in vlammen opging. Eerst na
zes maanden redde hem de komst van Mithridates
van Pergamum met vloot en troepen, en vooral het
ingrijpen van de Idumaeër
Antipater (de vader
van Herodes de Grote)
met 3000 joden. Caesar liet Egypte
zijn onafhankelijkheid onder koningin Cleopatra,
die weldra moeder werd van Caesarion. Aan
Antipater verleende Caesar het romeinse burgerrecht en
vrijdom van belasting. Zijn idylle met Cleopatra
vond een schielijk einde door de opstand van
Pharnaces.
de zoon van Mithridates van Pontus. Hij
trok naar Klein-Azë en versloeg
Pharnaces, drie
dagen na het passeren van de grens, bij
Zela (zomer
47; veni, vidi, vici).
Begin oktober 47 was Caesar eindelijk terug in Italië,
waar drie legioenen muitten wegens achterstallige
soldij. Eén woord,'Quirites' ('Burgers van Rome'),
was voldoende om hun trots te breken. Ernstiger
was het feit dat de bij
Pharsalus ontsnapte optimaten
de tijd hadden gekregen om zich in Africa te
reorganiseren. De bloedige slag bij
Thapsus (april
46) maakte een eind aan hun illusies. De voornaamste
leiders, Scipio, Afranius en anderen, vonden de dood,
Petreius en Juba staken elkaar neer in
een tweegevecht, Cato
pleegde zelfmoord toen hij
Utica niet meer kon verdedigen. Slechts
Labienus en
Pompeius' zonen Gnaeus en Sextus ontkwamen
naar Spanje. In juli 46 kon Caesar eindelijk in Rome
zijn viervoudige triomf vieren over Gallië, Egypte,
Pontus en Africa. Nog eenmaal moest hij te velde
trekken: in Spanje, de oude basis van Pompeius,
brak een opstand uit, die een bloedig einde vond in
de slag bij Munda
(17 maart 45), waar de verbitterde
soldaten van de dictator 30.000 tegenstanders afmaakten:
Gnaeus Pompeius en Labienus sneuvelden. Sextus Pompeius ontsnapte.

(V) 46-44. Slechts
twee jaren zijn Caesar nog vergund
geweest voor zijn dood, maar verbluffend veel heeft
hij in die korte tijd tot stand gebracht. Voor de
afvloeiing van het hoofdstedelijk proletariaat en
voor zijn veteranen zorgde hij door op uitgebreide
schaal kolonie-steden van romeinse burgers te stichten
in Spanje, Gallia Narbonensis,
Carthago,
Corinthe en
Klein-Azië. Vooral in deze verplaatsing
van burgers naar gebieden ver van Rome komt zijn
monarchale politiek tot uitdrukking, die het einde
betekende van de oude stadsrepubliek. Het aantal
bedeelden van de grote korenuitdelingen in Rome
verminderde Caesar van 320.000 tot 150.000, waarbij
kinderrijke gezinnen de voorkeur hadden. De
senaat,
die hij op 900 leden bracht, vulde hij voortdurend
aan met eigen aanhangers van geringe afkomst, die
niet zelden uit de provincie stamden.
Belangrijk was ook zijn
kalenderhervorming, die
hij met behulp van Sosigenes doorvoerde. Marcus
Terentius Varro kreeg de opdracht om de
gehele griekse en latijnse literatuur in één grote
bibliotheek te verzamelen; anderen moesten het
recht codificeren. Nog in 45 viel de inwijding van
het Forum Iulium en van de tempel van Venus
Genetrix, de stammoeder der Iulii. Groots waren
de plannen aan welker uitvoering hij niet meer toekwam:
een kanaal door de isthmus van Corinthe,
drooglegging van de pontijnse moerassen en de
Lacus Fucinus,
uitbouw van de haven van Ostia.
Ondanks hardnekkige pogingen zijnerzijds bleef de
senaatspartij Caesar echter vijandig gezind en zelfs onder
zijn eigen aanhangers vond hij te weinig begrip.
Zijn autoritaire optreden, zijn minachting voor de
aloude instellingen, zijn duidelijk streven naar de
monarchie waren hiervan de voornaamste oorzaken.
Toen hij in 44 op het
Lupercaliafeest (15 februari)
als dictator perpetuus
in oud-romeinse koningstooi
verscheen en Marcus Antonius hem de koningskroon aanbood
(al weigerde Caesar die ook), was voor
de optimaten de maat vol.
Munt ter herdenking van de tirannenmoord
Zestig republikeinen verenigden
zich onder leiding van Marcus Brutus en
Cassius voor de
moord op de dictator. In de senaatszitting
van 15 maart 44 (Idibus Martiis), waarin beslist moest
worden over de oorlog tegen de
Parthen, viel Caesar onder de dolkstoten der samenzweerders.
Om Rome's eerste keizer te worden was
hij te vroeg geboren en te vroeg gestorven.
(VI) Verschillende antieke auteurs beschrijven het
uiterlijk van Caesar Volgens Suetonius (Divus Iulius 45)
had hij een rijzige gestalte, een blanke huidskleur,
welgevormde ledematen, een tamelijk vol gezicht
en donkere levendige ogen. Later werd hij kaal; dit
probeerde hij te verbergen door een lauwerkrans te dragen.
Lit. Caesars eigen geschriften en die van zijn tijdgenoot
Cicero. Suetonius, Divus Iulius. Plutarchus' biografie van
C. - P. Groebe (PRE 10, 186-259). A. Giuliano (EAA 2,
521-523). - W. Drumann/P. Groebe, Geschichte Roms in seinem
Übergange von der republikanischen zur monarchischen
Verfassung 3² (Leipzig 1906) 126-752. E. Meyer,
Caesars Monarchie und das Principat des Pompeius³ (Stuttgart
1922). H. Strasburger, C. im Urteil der Zeitgenossen
(Hist. Zeitschrift 175, 1953, 225-264). H. Oppermann, C.,
Wegbereiter Europas (Göttingen 1958). A. Esser, C. und die
julisch-claudischen Kaiser im biologisch-ärztlichen Blickfeld
(Leiden 1958). A. Alföldi, Das wahre Antlitz Caesars (Antike
Kunst 2, 1959, 27vv). M. Geizer, C., der Politiker und
Staatsmann (Wiesbaden 1960). J. H. Thiel, C. (Den Haag
1962). J. F. C. Fuller, .Iulius C., Man, Soldier and Tyrant
(1965).
[Storms]
(VII) Werken. Tezamen met Cicero geldt Caesar sinds de Middeleeuwen als representant bij uitstek van het klassieke, 'zuivere' latijn, toetssteen voor de beoordeling van de stijl van andere antieke auteurs en richtsnoer voor eigen latijns taalgebruik. Toch zijn er grote verschillen tussen de menselijke, tot exuberantie geneigde latiniteit van Cicero en het koele, rationele en sobere taaleigen van Caesar Deze toont zich daarin een 'strateeg van het woord', dat bij hem altijd onmiddellijk dienstbaar is aan de gestelde doelen. Aan Cicero droeg Caesar een taaltheoretisch werk op (De analogia), dat op enkele fragmenten na verloren gegaan is; hierin schijnt hij een streng rationeel taalgebruik te hebben voorgestaan, o.a. door het vermijden van alle ongebruikelijke en dichterlijke woorden.
In de oudheid werden Caesars redevoeringen, die
eveneens vrijwel geheel verloren zijn gegaan, hooglijk
geprezen. De criticus Quintilianus verklaart
dat Caesar, indien hij niet zozeer door zijn militaire
loopbaan in beslag genomen was, als redenaar Cicero's
evenknie geweest zou zijn: zo groot was de
kracht en de scherpte van zijn 'martiale' woord
(Institutio oratoria 10,1,114). Men denke in dit
verband aan zijn toespraak tot de muitende soldaten
in Campanië, bestaande uit het ene woord
'Quirites'. Hoezeer voor Caesar het gesproken woord
altijd politieke doeleinden diende, kan ook blij
ken uit het feit dat hij, toen de zelfmoord van zijn
doodsvijand Cato Uticensis door Cicero werd aangegrepen
voor een Laus Catonis met duidelijk anticaesariaanse
strekking, antwoordde met een verbitterde Anticato in twee boeken.
Caesars schrijversroem bij het nageslacht berust
echter vooral op zijn bewaarde werken, nl. de
Commentarii de bello Gallico en de Commentarii
de bello civili. Het woord commentarii schijnt
oorspronkelijk de term voor notities en rapporten
van romeinse magistraten geweest te zijn. Inderdaad
vertonen Caesars Commentarii
trekken van
de traditionele romeinse ambtelijke taal, b.v. in het
overvloedig gebruik van de ablativus absolutus en
van de oratio obliqua. De gebruikelijke vertaling
'Gedenkschriften' is dus fout. In de klassieke tijd
werd commentarius ook gebruikt voor een voorlopige
schets voor een rede of een literair werk. Dit
is de achtergrond van de volgende karakterisering
van Caesars Commentarii in Cicero's Brutus (262):
n34;zij zijn naakt, onopgesmukt, en van een simpele
schoonheid; het kleed der stilistische versiering:
ontbreekt. Manr terwijl hij anderen materiaal heeft
willen verschaffen voor literaire geschriften....
heeft hij tegelijk mensen met literaire smaak daarvan
afgeschrikt'. Hieruit blijkt dat de Commentarii
niet tot de historiografische literatuur in antieke zin
mogen worden gerekend, hetgeen hun eigenaardige
literaire betekenis des te paradoxaler maakt.

De Commentarii de bello Gallico bestaan uit zeven boeken,
waarvan elk een jaar van de periode 58
tot 52 vC beschrijft, waarin Caesar als proconsul Gallië
tot aan de Rijn voor Rome ondenvierp. De zakelijke
inhoud kan als volgt worden samengevat:
Boek 1 (58): de campagnes'op gallisch verzoek' tegen
de uit de Alpen naar het Westen trekkende
Helvetiërs en tegen de over de Rijn binnendringende
Germanen onder Ariovistus.
Boek 2 (57): de strijd tegen de Belgen, de 'dappersten
der Galliërsn34;.
Boek 3 (56): de verovering van Bretagne en Normandië;
zijn onderbevelhebber Crassus verovert
Aquitanië.
Boek 4 (55): vernietigingsoorlogen tegen twee germaanse
stammen, de Usipetes en de Tencteri, die
over de Rijn naar Gallië getrokken waren; bouw
van een brug over de Rijn en intimidatie-campagne
op de rechter Rijnoever; notities over de zeden der
Germanen; verkenningsexpeditie over het Kanaal
naar Britannië.
Boek 5 (54): tweede expeditie naar Britannië;
aanval van gallische stammen, o.a. de Nerviërs, op de
kampementen van Quintus Cicero, die door Caesar
ontzet wordt.
Boek 6 (53): tweede tocht over de Rijn; beschouwingen
over de zeden van Kelten en Germanen.
Boek 7 (52): algemene opstand van de gallische
stammen onder hun nationale leider Vercingetorix,
die zich na voor de Romeinen spannende episodes
tenslotte bij de verovering van Alesia moet overgeven.
De boeken 1-7 werden in 51 vC gepubliceerd. Niet
door Caesar zelf beschreven zijn de gebeurtenissen van
51 en 50; deze lacune is aangevuld door zijn officier
Aulus Hirtius, de auteur van boek 8, waarin hij met enig
succes Caesars commentarii-stijl
tracht na te volgen.
De Commentarii de bello civili bestaan uit drie
boeken en beschrijven de gebeurtenissen van 49 en
48 vCaesar Nog duidelijker dan in het werk over de
gallische oorlog is hier de apologetische en
propagandistische strekking.
Boek 1 (49): de onmiddellijke voorgeschiedenis van
de burgeroorlog met Pompeius; de tocht over de
Rubico en de verdrijving van de Pompeianen uit
Italië.
Boek 2 (49): de zegevierende strijd bij Massilia en
in Spanje; Caesar dictator; zijn onderbevelhebber Curio
voe:t in Africa een ongelukkige strijd tegen de
Pompeianen en wordt gedood.
Boek 3 (48): Caesar steekt over naar Epirus, waar hij
Pompeius in Dyrrachium tevergeefs belegert; eindoverwinning
bij Pharsalus op Pompeius, die op de
vlucht in Egypte wordt gedood; Caesar, die hem naar
Alexandrië volgt, raakt in Egypte verwikkeld in
een binnenlandse oorlog.
Ook hier zijn de eindfasen van de oorlog niet meer
door Caesar zelf beschraven. Drie onbekende officieren hebben
drie vervolgen geschreven, die tezamen met de Commentarii
de bello civili zijn overgeleverd:
De bello Alexandrino (48-47), misschien ook
geschreven door Hirtius, behandelt de campagnes in
Egypte, Armenië, Illyricum, Spanje en wederom
Armenië.
De bello Africo (46), in inferieure stijl, beschrijft
Caesars operaties in Noord-Afrika, eindigend met
de overwinning bij Thapsus en de zelfmoord van
Cato Uticensis.
De bello Hispaniensi (45) beschrijft, eveneens in een
slechte stijl en met weinig historische nauwkeurigheid,
de strijd tegen de zonen van Pompeius in
Spanje en de overwinning bij Munda.
De slechte kwaliteit van deze werken stelt de voortreffelijkheid van Caesars eigen commentarii des te scherper in het licht. Ook Caesar zelf doet de objectiviteit herhaaldelijk geweld aan, maar dit geschiedt op een zo geraffineerde wijze dat pas het moderne historische bronnenonderzoek met succes de ware gang van zaken achter zijn relaas heeft kunnen blootleggen. Zijn werk is van een kille en berekenende genialiteit, en uiterst on-kinderlijk; het is een vreemde paradox dat de naam van Caesar onverbrekelijk verbonden is met de eerste stadia van onze klassieke opleiding.
Lit. Uitgaven: Editio princeps: J. A. de Buxis (Rome 1469). Beste moderne editie: A. Klotz, C. Julii Caesaris commentarii, 1. Bellum Gallicum (Leipzig 1952; herdruk met addenda van W. Trillitsch 1957), 2. Bellum civile (ib. 1950; herdruk met addenda van W. Trillitsch 1957), 3. Bellum Alexandrinum, bellum Africum, bellum Hispaniense, fragmenta (ib. 1927). Met franse vertaling: L.-A. Constans, César, Guerre des Gaules 1-2 (Paris 1926), P. Fabre, César, La Guerre Civile 1-2 (ib. 1936), J. Andrieu, César, Guerre d'Alexandrie (ib. 1954), A. Bouvet, César, Guerre d'Afrique (ib. 1949). Met engelse vertaling: H. J. Edwars, C., The Gallic War (Loeb Class. Libr., London 1933), A. G. Peskett, C., The Civil Wars (ib. 1928), A. G. Way, C., Alexandrian, African and Spanish Wars (ib. 1955). Met duitse vertaling: G. Dorminger, Caesar, Der Bürgerkrieg² (München 1962). Id., C., Gallischer Krieg (ib. 1962). Nederlandse vertaling: J. J. A. L. Humblé, CL, de Gallische oorlog (Antwerpen/ Amsterdam 1965). - Beste commentaren: F. Kraner/W. Dittenberger/H. Meusel/H. Oppermann, C., De bello Gallico 1-3 (Berlin 1961), F. Kraner/F. Hofmann/H. Meusel/ H. Oppermann, C., De bello civili (ib. 1959). R. Schneider, Bellum Alexandrinum (ib. 1888). Id., Bellum Africanum (ib. 1905). A. Klotz, Kommentar zum Bellum Hispaniense (Leipzig 1927). - H. Merguet, Lexikon zu den Schriften Cäsars und seiner Fortsetzer 1-2 (Jena 1886 = Hildesheim 1963). H. Meusel, Lexicon Caesarianum (Berlin 1887-1893). S. Preuss, Lexicon zu den pseudo-cäsarianischen Schriftwerken (Erlangen 1884). H. Oppermann, C., der Schriftsteller und sein Werk (Neue Wege zur Antike 2, 2, Leipzig 1933). K. Barwick, Caesars Commentarii und das Corpus Caesarianum (Philologus, Supplementband 31, Leipzig 1938). M. Rambaud, L'art de la déformation historique dans les Commentaires de César (Paris 1953). F. E. Adcock, C. as a Man of Letters (Cambridge 1956). A. D. Leeman, Orationis ratio hoofdst. 6 en 7 (Amsterdam 1963). Zie ook de bespreking van recente literatuur in de "bibliographische Nachträge" van H. Oppermann in de beide commentaren van Kraner c.s. [Leeman]